Sasja Janssen – Mijn vader zegt entropie mijn moeder logica

Wij bezitten het juiste heden 

Recensie door Johan Reijmerink

Sasja Janssen benadert in haar nieuwe bundel Mijn vader zegt entropie mijn moeder logica, net als in haar voorlaatste bundel Virgula (2021), de telkens veranderende werkelijkheid met licht, logica en beheersing. In een schemerige atmosfeer waarin het logisch denken verder weg lijkt dan ooit, voert ze ons naar een bewustzijn van het heden in allerlei levensfasen. De bundel bestaat uit vijf afdelingen, voorafgegaan door een ‘heden’ gedicht. Verder wordt elke afdeling ermee afgesloten. In ‘Het heden is een lach in het donker’ spreekt ze zich uit, verwijzend naar de liefdesroman van Vladimir Nabokov over een jong meisje en een oudere man, over het heden dat, ‘wacht op zijn volledige openbaring / maar het houdt niet van mij en zwerft in zichzelf / prostitueert de tijd’.

De ik ziet krampachtig verlangend uit ‘naar de judaskus die het [heden] me geeft’ dat impliceert dat je er mag zijn, voor jezelf en de anderen. Daarmee is het volledig op willen gaan in het heden een diep verlangen van de ik om los te kunnen komen van wat geweest is en komt. 

Ontoereikendheid van taal

Janssen werpt in ‘het beste’ uit de eerste afdeling ‘Wat slapen de geraniums licht’  fundamentele vragen op: ‘zijn wij alomtegenwoordig? Zijn wij goed?’ Uit haar antwoorden blijkt dat de ‘verzengende feitelijkheid’ ons raakt en de moraal ons op een dwaalspoor zet met dood maken tot gevolg: ‘Wij deden altijd het betere / we verlangden elkaar kapot, vraten elkaars bezit’. Onze taal blijkt ontoereikend te zijn om de alomtegenwoordige schepping en onszelf te doorgronden. Al het denken over zonde en schuld is de schuld van Bijbelse theorie. Dat laat de ik achter zich. ‘Tot niets keer ik weer’ blijft dan over. Er is enkel een hier en nu. In ‘Lichte geraniums’ verwoordt ze ‘doodgemoedereerd’ het verwerkingsproces van een overlijden van moeder: ‘bij haar wake branden ze een kaars / zodat ze niet verdwaalt in haar einde’. Het brengt de ik dichter bij het besef van de eigen vergankelijkheid ‘dat de mensen net zo snel gaan als de aarde / door de ruimte schiet’. In ‘de heimwee als meisje van zestien’ komt de ik erachter dat ‘het heden is het probleem van de kunst’, omdat je als kunstenaar in dat heden wil blijven dat achter je geraakt. In ‘Het heden is een gramarijn’ drukt het voortdurend bestellen van ‘dure kleren’ een verlangen uit om als taalkunstenaar gewetensvol om te gaan met woorden.

Licht en duisternis, dood en leven duelleren met elkaar in de tweede afdeling ‘Het bloeiende uitroeiende’. In de bloemrijke omgeving leeft bij de ik een verlangen naar wat is geweest. In de plantenkas ervaart de ik existentieel ‘das Seiende und das Wesen’. Terugkomst in de moestuin betekent ‘op zoek naar het juiste woord’, om woorden aan herinneringen te geven aan het ouderlijk huis. De betrokkenheid op het proces in de natuur helpt om de essentie van het heden te benaderen.  In ‘Het heden is een sjibbolet’ wijst op het onderscheidend woord ‘heden’ gestalte te geven als toegang tot het leven: ‘Wij bezitten het juiste heden, enig in onze enige soort / wij zijn de logica in onszelf’. 

Verrassende beeldwendingen

Het heden diagnosticeert in de derde afdeling ‘De eerste bloem als een magnolia’ de wording van de ik tot een taalgevoelig dichter. In het kerngedicht ‘ben ik niet langer een teken begint men mij te betekenen’ lezen we de wording van ik: 

‘een vader zegt entropie mijn moeder logica
 mijn vader schaken mijn moeder dammen
 […]
 daarna scheppen ze mijn duisternis leeg
 en word ik van een deling een speling 

 En 

 zo ritmeer ik tussen alle klanken, maar verlies mijn taalloosheid
 ons oudste zintuig
 toch praten we het opgetuigde brood met smaak’

Op de hotelkamer in ‘ik ging naar Greenwich’ gebruikt Janssen een van de zovele verrassende beeldwendingen. Zo ‘zapte ik op de hotel-tv, at dinerkokkels als ontbijt / zo kort beefde de nacht, tot ik het ei uitpoepte / en uit het flinterdunne heden glipte’. De ik beseft in ‘terug naar het eerste lied’ als een eerbetoon aan Nicole, haar tweelingzus, dat ze in een paradox leeft: ‘dat ik pas dood kan na jou / smaect men bitteren suere / mij gruwelt dat ic leve / maar mijn moeder heft opnieuw haar lied aan als ze zwarte bessen plet’. Hadewijch komt haar tegemoet in haar mystieke eenheidservaring. Het obsessief kopen geeft in ‘Het heden is geen zweetdoek van Veronica’ een ‘onbetaalbaar maar vol heden’, en ‘je bent elke keer nieuw’.

Patronen in de werkelijkheid

De ‘Spinsels’ hebben in de vierde afdeling ‘Tapijtbloemen’ direct betrekking op wat Janssen zich als dichter bij het heden voorstelt: ‘zwijgen is van vrouwen, het niet-bestaan, daarom bezitten zij het weten / van voor de tijd dat het denken bestond / van de tijd waarin weten ruimte was’.
Het gedicht spint woorden ‘omdat ze niet lineair zijn / en valt zijn prooi aan om zo mooi mogelijk te glinsteren’. De ik houdt ‘meer van de waanzinnige / dan van de dichter, omdat die zichzelf betekenis ontzegt’. In het derde spinsel’ staat er wat Janssen zich als dichter toewenst: 

‘soms hebben we een filosoof nodig voor onze woorden en dingen
 soms een psychiater om te weten dat we menselijk zijn, een kosmoloog
 die ons opgeilt met zijn verstrekkende kennis, te wijd
 om na te vertellen, een priester die seks tussen God en materie
 stelt, waardoor we ons kunnen vermeerderen, soms een moeder
 of vader voor duiding van een wereld van taxonomie’ 

Janssen verenigt als dichter de filosoof, psychiater, priester en ouder in zichzelf. Net als melancholie is het ontdekken van patronen in de werkelijkheid voor de ik belangrijk. In ‘Het heden is de derde ruimte’ gaat het om wat niet hoorbaar is in klanken, maar wel wordt gesuggereerd met de sjwa-klank. Het heden is niet te vatten, het is iets wat het verleden uitvreet en voor toekomst geen geduld heeft: ‘ik ben het stuifmeel van mijn eigen tijd’.  

In het gedicht ’een spiegel in de aarde’ uit de vijfde afdeling ‘De narcissen buigen’ schemert het niet, ‘toch is er geen licht, toch is er geen donker’. De krans van bladeren aan de oever toont een zwartgroene onderwereld en een doorzichtige bovenwereld. Op het meer mengt toekomst en verleden zich, ‘in zijn oog dat nooit sluit / de narcissen buigen, een uil draait zijn kop, vlinders geborgen // dan zinkt ze en duikt op het gedicht als nieuwste tijd’.

opmerkelijke metaforen en personificaties

Het gedicht opgedragen aan Marianne Moore spreekt van een ‘coup de foudre’ in de eenzaamheid ‘van het onzegbare in elke geboorte en moord’. Hoezeer ook alle schepsels zich afhankelijk weten, ‘alleen het gedicht echoot ons in en uit en slijpt zichzelf ruw / naar de wetten van zijn enige geluid’. Of het nu Freud of Rimbaud is – in het gedicht dat Janssen aan zichzelf opdraagt – hij is de enige ‘die mijn gedichten begrijpt, volledig / als een wortelkanaal / daar heb ik wel wat seks voor over’. Hoe het ook zij: ‘de poëzie laat me nooit / meer in de steek’. 

Janssen heeft een beeldrijke bundel geschreven. Strak gecomponeerd vol van opmerkelijke metaforen en personificaties die er niet alleen een objectiverend karakter aan verlenen, maar ook indirect het levenloze tot leven wekken. Ze toont een voorliefde voor eigenzinnig geformuleerde versregels die in hun vervreemdende werking de distantie tot de lezer vergroten, zoals ‘performatieve papavers’ of ‘de ostranenie van het organisme’. De ik heeft aldoor ‘alleen maar Gegenwart’ willen leven, om aan het eind in haar tijdelijk huis te worden teruggebracht ‘tot mijzelf in een kaal bad’. De vraag blijft in dit schaakspel dat leven heet: ‘waarheen toch en waarvandaan’, aldus de Perzische dichter Omar Khayyam. 

Vooralsnog lijkt voor Janssen poëzie te ontstaan uit een geheimzinnige werkelijkheid, die aan haar betekenissen toedicht en waarop ze vervolgens al schrijvend grip probeert te krijgen. Ze doet er in de hele bundel alles aan ‘het juiste heden’ te veroveren: ‘enig in onze enige soort / wij zijn de logica in onszelf’. In die zoektocht naar zichzelf als dichter probeert ze een vast geloof in het heden te doen oplichten. Deze bundel is een intense zoektocht naar betekenisgeving voor dichter en lezer. 



 

Omslag Mijn vader zegt entropie mijn moeder logica - Sasja Janssen
Mijn vader zegt entropie mijn moeder logica
Sasja Janssen
Verschenen bij: Querido (2024)
ISBN: 9789021487847
72 pagina's
Prijs: € 18,99

Om Literair Nederland draaiende te houden, zijn wij afhankelijk van vrijwillige bijdragen. U kunt ons steunen via de rode knop. Waarvoor onze hartelijke dank!

Meer van Johan Reijmerink:

Recent

Literatuur als instrument voor zelfontdekking
22 mei 2024

Literatuur als instrument voor zelfontdekking

Over 'Hij/hem – Een ABC van regenboogboeken' van Redactie: Eric de Rooij, Coen Peppelenbos en Doeke Sijens
Hedendaags liefdesverhaal gebaseerd op een mythe
21 mei 2024

Hedendaags liefdesverhaal gebaseerd op een mythe

Over 'Meisje ontmoet jongen ' van Ali Smith
Zwijgen als vorm van zelfbehoud
20 mei 2024

Zwijgen als vorm van zelfbehoud

Over 'Wat wij verzwijgen' van Aisha Dutrieux
Aangrijpend mooi zelfportret van een buitenbeentje
18 mei 2024

Aangrijpend mooi zelfportret van een buitenbeentje

Over 'Oever' van Ludwig Volbeda
Zusterschap zonder macht van klasse of ras
17 mei 2024

Zusterschap zonder macht van klasse of ras

Over 'Feminisme is voor iedereen (herziene editie)' van bell hooks