Deze eerste vertaling in het Nederlands van de niet eerder gepubliceerde roman Perlefter van Joseph Roth is een bijzonder boek. Nadat de Gestapo het in 1933 in beslag had genomen en de DDR, of de Sovjetunie, het tot 1970 niet openbaar maakten, werd het als ongeredigeerd manuscript in de archieven van uitgeverij Kiepenheuer in Berlijn gevonden. Het is geschreven in de aanloop naar zijn grootste successen, vlak voor de machtsovername door Hitler en Roth’s vlucht naar West-Europa.
In 1978 werd het samen met een paar andere teksten van Roth in de DDR en West-Duitsland gepubliceerd. In de vertaling is aan het verhaal over de houthandelaar Alexander Perlefter nog een tekst van Roth over een brief van Naphtali Kroj, de hoofdpersoon van Perlefter, toegevoegd. Perlefter is een autobiografisch geïnspireerd verhaal en speelt zich af in de Oostenrijkse dubbelmonarchie.
In het eerste hoofdstuk stelt Roth zijn hoofdpersoon voor: ‘Ik heet Naphtali Kroj. De stad waar ik geboren ben was naar West-Europese begrippen geen stad. Vijftienhonderd mensen woonden er. Onder hen waren duizend Joodse handelaren.’
Autobiografische gegevens
Dat stadje doet denken aan Roth’s geboorteplaats Brody op zo’n honderd kilometer ten oosten van Lemberg, zoals Lviv (Oekraïne) indertijd heette. Kroj is de zoon van een koetsier die veel dronk en nadat hij in de sneeuw was gevallen, de volgende ochtend doodgevroren werd teruggevonden. Kroj had zijn moeder al eerder verloren. De collega’s van zijn vader vonden dat hij geen koetsier moest worden omdat hij al ‘enige scholing had genoten’. Kroj moest van hen een brief sturen naar zijn rijke bloedverwant Perlefter die een houthandel in Wenen leidde. Zijn meester Tobias, bij wie Kroj had leren lezen en schrijven, schreef voor hem de brief en na de winter kreeg hij een kort antwoord met de uitnodiging te komen. Eind april 1904 wordt Naphtali Kroj door een tabakssmokkelaar over de grens gebracht en komt hij aan in Wenen. ‘Toen ik mijn stad verliet was het voorjaar er nog niet. Bij ons begon de sneeuw pas net te smelten. Hier hoorde je de zomer al rijden(…).’
Onvolledig manuscript
Het manuscript bestond uit twee delen en tien hoofdstukken. Het eerste deel bevat het eerste hoofdstuk van vier pagina’s met veel correcties, dan ontbreken er vier pagina’s en de rest lijkt (volgens de bezorger van de tekst) in één adem te zijn opgeschreven. Het vermoeden is dat dit manuscript indertijd door Joseph Roth of zijn uitgever Kiepenheuer aan de Münchener Neue Nachrichten is gestuurd als voorstel voor een feuilleton. Delen van zijn andere boeken waren ook eerder in kranten gepubliceerd. Het manuscript is onvolledig en het verhaal maakt soms een vreemde sprong en heeft geen echt einde. In het archief bevonden zich nog meer teksten voor een boek met feuilletons. De eerste publicatie van de brief van en over Naphtali Kroj was een andere en veel kortere die in een biografie over Roth stond (David Bronson 1974). Waar die publicatie vandaan kwam, is onduidelijk.
In het tweede hoofdstuk maken we kennis met de rijke houthandelaar Alexander Perlefter. Kroj, die bij hem in huis is opgenomen, vergelijkt Perlefter met de Macedonische koning Alexander. Een vergelijking die in het nadeel van de houthandelaar uitvalt. ‘Alleen al als ik hem bekeek moest ik lachen.’
Er volgt een ironische karakterisering van het uiterlijk van Perlefter , van zijn persoon, zijn carrière als handelaar en van zijn levensbeschouwing. Hij was lid van een gematigde club en bang voor de revolutie. Hij kocht een groot hotel, ‘een van de beste transacties van zijn leven.’ Perlefter houdt van reizen en van de natuur en is gek op vrouwen, blond en van omvang. Hij is bijgelovig en bang voor ongelukken. Ondanks die angst vliegt hij voor ruim twee maanden naar een onbekend buitenland.
Ironische beschrijvingen familieverhoudingen
Over Perlefter en zijn gezin schrijft Roth: ‘Hij kon alleen over zijn verwanten heersen, want zij waren nog zwakker, nog angstiger, nog willozer dan hijzelf.’ In het gezin was er ‘nooit en nergens voldoende’ van en ze maakten zich overal zorgen over. Alleen Perlefter en zijn zoon Fredy namen de vrijheid om met rijke vrouwen om te gaan. Daarover en over de liefdesperikelen van Fredy en de dochters van Perlefter wordt smakelijk en met veel details vertelt.
Als Perlefter terug is maakt hij zich zorgen over de verlangens van zijn vrouw en zijn intussen verloofde kinderen. Een tante komt regelmatig op bezoek die ‘al veel meisjes aan een man had geholpen.’ Intussen wordt Naphtali Kroj zelf verliefd op Henriëtte die al jaren bij de Perlefters inwoont. Kortom een hilarisch verhaal, zeker geschikt als feuilleton in de krant. Zoon Fredy was intussen met Tilly, de dochter van lederwarenfabrikant Kofritz verloofd. Deze man had volgens Kroj net als Perlefter zijn vermogen zelf opgebouwd, maar ‘Perlefter had alleen talent… Kofritz was echt een karakter.’
Ook hier gebruikt Roth weer ironische beschrijvingen van uiterlijk en familieverhoudingen. Een geregeld voorkomend verschijnsel in de schrijfstijl van Roth is de verrassende tegenstelling. Hij beweert iets en binnen dezelfde alinea of zelfs zin ontkracht hij het weer: ‘Ik roer hier een onderwerp aan dat gecompliceerd is en dat ik het liefst buiten beschouwing zou hebben gelaten, als het niet zo buitengewoon belangrijk was en niet absoluut onmisbaar zou zijn voor het inzicht in Perlefters gewoonheid’.’
Flarden van het verhaal
In de laatste hoofdstukken van Perlefter gaat de draad van het verhaal verloren. Dochter Margarete is verloofd en getrouwd, maar er moet ‘iets gebeurd zijn’ waardoor haar man zich van haar laat scheiden en meneer Perlefter gaat voor herstel van deze rampspoed naar een sanatorium. Er verschijnen andere verwanten van Perlefter: Leo Bidak en zijn gezin komen berooid terug uit San Francisco, waarover Roth nog twee tragische hoofdstukken schrijft. Niets of niemand kon de almaar armer wordende Leo Bolak nog helpen. Hij gaat in het laatste hoofdstuk(je) met enige hoop op bezoek bij Perlefter, maar die viert net de verjaardag van zoon Fredy. Einde verhaal.
In het toegevoegde hoofdstuk over de brief van Naphtali Kroj vanuit Buenos Aires, schrijft Roth dat hij zijn geboortegrond bijna vergeten is. Het stadje is kapotgeschoten en bestaat niet meer. ‘Nu ben ik dus nergens geboren en nergens thuis’. Zijn landgenoten zijn verspreid over de wereld. Hij zou wel graag willen weten wat er met die anderen is gebeurd’. Hij vertelt nog een aantal anekdotes over bekenden in het buitenland, zoals de doodgraver Pantalejmon en de strop van een zelfmoordenaar, die hij in stukken wil verkopen. Een anekdote die ook voorkomt in Aardbeien, een ander verhaal van Roth uit het Kiepenheuer-archief.
Met Perlefter heeft Joseph Roth – in onvolledige vorm, een weemoedig en licht spottend beeld van de verloren wereld van zijn jeugd gegeven.

Perlefter
Joseph Roth
Vertaling door: Peter de Wolff
Uitgever: M10Boeken & Het huis met de drie gedichten
ISBN 9789493332188
96 pagina's
Prijs: € 22,50
Kopen bij Libris












