Zeevlam en andere gedichten van Hanneke van Schooten leest als een wandeling. Een strandwandeling wel te verstaan. Gedichten met een zilte geur van de zee en de soms scherpe smaak van zand en schelpengruis. Ze openen vergezichten en luchten waaronder de mens, de wandelaar zich klein waant. Voor de dichter zelf – Hanneke van Schooten woont een groot deel van haar tijd op Schiermonnikoog – is die uitgestrektheid onder een weidse hemel als een natuurlijke habitat. Het eerste gedicht in deze bundel, en tevens titelgedicht, geeft als een soort staalkaart of synopsis aan welke thema’s en sfeer verwacht kan worden.
‘Zeevlam – voor H.C. ten Berge
Het licht hangt zilverwit over het water. / De lucht daarboven blauw en hoog. / Hemel en zee zonder zichtbare lijnen droog / gevallen in het tij. Een keerpunt dat later // een kader voor herinneringen is: / zoute wind die plotseling de kleuren / dempt in dichte nevel, de rotte geur / van wier, zeekraal, dode vis. // Hoe wij in de mist bewegen / op de tast een eeuwigheid bijeen. / Blijf nog even. Er is geen tijd, alleen / dit ene korte ogenblik van leven.’
Een genoeglijk wij
Op enkele uitzonderingen na, zijn bijna alle gedichten geschreven in de wij-vorm. Al geeft dit ‘wij’ niet automatisch een eenduidig perspectief. Soms is het een wij als in een dialoog: ik en jij tegenover elkaar, of naast elkaar, maar wel in wisselwerking. Soms is het een verzameling personages in een verhaal, een bepaalde gebeurtenis waarover de dichter achteraf vertelt; soms is het de meest vanzelfsprekende uitdrukking van onze collectieve condition humaine. De verbondenheid tussen mensen die niet enkel bestaat in wat daadwerkelijk gedeeld, bereikt, beleefd wordt, maar minstens zozeer in wat nog niet gebeurd is en misschien wel helemaal nooit zál gebeuren, maar waar – instinctief bijna – wel voor wordt gevreesd: onze gedeelde wanhoop, angst, en onwetendheid over wat de toekomst ons brengt.
‘Niet voorgoed
Dan stellen wij onszelf vragen, / vertellen elkaar verhalen, / ons leven en waarvandaan / de reis begon tot in dit heden / hoe het kon dat wij samen / bestaan in taal, in spreken, / in de wanhoop dat wij vergaan.’
Of er nu alleen of met anderen wordt gewandeld, gereisd, over de zee wordt gevaren, steeds is er die gemoedelijkheid, dat kalme, dat mijmerende. En steeds is de ervaring ingebed in een intense beleving van de natuur, van de omgeving. Dat is wel de toon en kleur van veel gedichten in deze bundel: een natuurlijke zachtheid die samenhangt met die natuurlijke omgeving. Zelfs als het stormt en de natuur helemaal niet zo kalm en lieflijk is. Een zachtheid die in een stedelijke omgeving niet kan bestaan, of het moet in een parkje achteraf zijn waar de natuur zich onttrokken heeft aan de invloed van de mens; aan zijn belangen, en meest nog, aan zijn moordend snelle tempo.
Vertraagde tijd
In die oneindig lege ruimte valt er volop te beleven en waar te nemen, maar enkel voor wie de juiste houding van verstilde aandacht wil aannemen en werkelijk bereid is de tijd te nemen. Inderdaad niet de snelle mensentijd van deze eeuw, maar de trage, kabbelende tijd van de natuur met haar ritme van seizoenen en eb en vloed. Dan worden de contrasten zichtbaar die er wel degelijk zijn in die verstilde en ogenschijnlijk stilstaande ruimte.
Ook klassieke begrippenparen waarmee sinds jaar en dag onze levens en de wereld benoemd worden en die voor iedereen herkenbaar is, komen voorbij: hemel en aarde, geluid en stilte, ver weg en dichtbij, jong en oud, oud en nieuw, en alles wat zich door de tijd tussen die uitersten voltrekt.
‘Regieaanwijzing
Let op, groei in de tijd niet langzaam / aan beide zijden vast, word geen boom, / geen zoutkolom, ga door, / ga door en kijk niet om, / word niet de vrouw van Loth / wier naam er niet toe doet. // Waarheen schipper? / Vooruit! Voort! / Het uitzicht tegemoet.’
En ook de tegenstelling blijven versus weggaan, beweging versus stilstand. Waarbij al snel blijkt dat niet stilstand maar beweging het meest wezenlijke kenmerk is van de natuur en het leven zelf.
‘Dwaalwegen
Wij zetten zeilen bij / om schipbreuk te vermijden. / Nee, wij keren niet / om daar te landen waar het begon. / Wij varen dwaalwegen / die krullen op de kaart, / wij weten niet over welke zeeën / wij nog moeten gaan. / Water genoeg, / niet als laatste onze tranen.’
Of die dwaalwegen nu worden bevaren of bewandeld, onvermijdelijk duiken er in zo’n oud, vertrouwd landschap herinneringen op. Meestal wordt een dergelijke liefde immers vroeg geplant. Vaak al meteen bij de geboorte, meegegeven in het DNA. In dit geval het landschap van het noorden, het wad, rietkragen, veel water, veel wind ook, ritmische geluiden van ijzers op het ijs, vogels die nauwelijks boven het vlakke grasland uit steken, of langs de hemel scheren die dan hoog, dan laag is.
Horen en zien
Zo puur en onopgesmukt de benadering van de thematiek, zo sober is ook de stijl die Van Schooten hanteert. Amper versiering, amper beeldspraak, enkel een eerlijke beschrijving van wat zich toont en door de dichter wordt gezien.
Sommige gedichten zijn zo kort, dat je je afvraagt of het nog wel gedichten zijn of aforismen. Maar wat zijn precies de criteria waaraan je een gedicht herkent? En wanneer moet het iets anders gaan heten? En wat dan? Ook in die bondige directheid kan een boodschap goed over komen. Misschien zelfs des te beter, omdat uiteindelijk alleen het meest wezenlijke overblijft. En aan de poëtische zeggingskracht doet dat niets af.
Het enige dat als overbodig en gekunsteld overkomt is het gebruik van rijm in enkele gedichten. Onnodig bij gedichten die van zichzelf een zachte ritmiek hebben. Rijm haalt hier en daar de vaart eruit, de intrinsieke kracht die niet bewust is voortgekomen uit woordkeus of compositie, maar op natuurlijke wijze is ontstaan vanuit de eenvoud van de thematiek. De auteur had gerust nog dichter bij die natuurlijke vorm kunnen blijven.
Of de dichter, zoals veel kunstenaars, behept is met synesthesie, het verschijnsel waarbij de hersenen zintuiglijke prikkels en sensaties aan elkaar koppelen, is niet bekend, maar veel van haar gedichten wekken die indruk. Beelden maken geluid, geluiden hebben een kleur.
‘Verzwegen muziek
Zeilen, wit uitgesneden tegen / een grijze hemel. Een raadselachtig / rijzen en dalen van water / en later meeuwengekrijs. // Dit beeld. Je houdt je adem in / en luistert. Alle geluid gaat traag. Stilte. / Ver weg een stem. Muziek die wind / in rimpels op het water schrijft. // Wat ongeschreven blijft / dat hoor je niet.’
Door de eerder al genoemde houding van intense aandacht in combinatie met die extreem vertraagde tijd maakt de dichter het mogelijk dat ook de lezer alles opnieuw en in zuivere vorm kan waarnemen en ervaren. Als een schoongewassen versie van de oorspronkelijke schepping.
‘Naschrift met aanbeveling
Voor wie reist, bedenk, / elk uitzicht spreekt je van voorbij, / elk doel zegt wat je zult gaan missen, / keer je rug naar wat al vertrouwd is, / mijd de diepe slaap van het gevestigde / idee en onthoud: keer niet terug / neem wachttijd en verlet voor lief. // Thuis wacht armoede, / de schamele boel van wachters / achtergebleven in stilstand, / laat de mare van moederlanden achter je / en neem op reis de weg als doel.’

Zeevlam
Hanneke van Schooten
Illustraties door: Damiaan Renkens
Verschenen: 2025
Uitgever: AFdH Uitgevers
ISBN 9789493183315
62 pagina's
Prijs: € 15,00
Kopen bij Libris








