Hester Knibbe – Binnen in de aarde is een berg

Niet begrijpen maar meegaan in de beweging

Recensie door Johan Reijmerink

De Duitse sinoloog Richard Wilhelm (1873-1930) hield in 1923 voor Carl Gustav Jung (1875-1961) en zijn collega’s in de Psychologische Club te Zürich een lezing over I Tjing of Het Boek der Veranderingen. Dit oude Chinese wijsheids- en orakelboek gaat terug op bronnen tot 4000 v. Chr., vermoedelijk afkomstig uit de Han-dynastie. Kort tevoren had Wilhelm het boek in het Duits vertaald en van commentaar voorzien. Al vanaf 1913 kende Jung Wilhelm en zijn vertaling van het boek Het geheim van de gouden bloem, een ander Chinees levensboek. Na lezing daarvan kwam Jung tot de conclusie dat de wijsheid van het Oosten aan de mensen daar toebehoort en hem alleen datgene toebehoort wat uit hemzelf voortkomt. Maar de fascinatie voor het Oosten was wel bij hem gewekt.

Hester Knibbe heeft het Boek der Veranderingen als uitgangspunt genomen voor haar nieuwe bundel Binnen in de aarde is een berg. Ook bij haar moet er door de lezing van de I Tjing iets van die fascinatie voor die geheimzinnige werkelijkheid zijn opgeroepen, maar ook de afstand daartoe. Het gaat haar niet zozeer om het orakelkarakter, maar om kennisname van teksten met eenzelfde scala aan driften, mogelijkheden en beperkingen waarin we ons in deze moderne tijd nog altijd kunnen herkennen. In het bijzonder heeft ze de titels van de hexagrammen als inspiratiebron gebruikt om te zien in hoeverre er verbazingwekkende coïncidenties ontstaan tussen gewaarwordingen en ervaringen in haarzelf. 

Vanuit de bron en verder

De bundel bestaat uit twee afdelingen en bevat vierenzestig hexagrammen en opent met een citaat van Louise Glück: ‘Who can say what the world is? The world / is in flux, therefore / unreadable’. Onze wereld is permanent in beweging en laat zich moeilijk in woorden vangen, maar mensen blijven zoeken naar een houvast te midden van die nimmer aflatende beweging. 

De eerste afdeling is getiteld ‘Aan de voet van de berg ontspringt een bron’. Vanuit deze onnatuurlijke situatie is het mogelijk op een tegendraadse manier te denken. Het gedicht, voorafgaand aan de hexagrammen, spreekt over een vrouw die een denkbeeldig pad in haar geest harkt, en zo een creatief spoor creëert door de tijd heen. We volgen daarna in grote lijnen de ontwikkelingsgang van kindertijd naar volwassenheid. 

Al in het eerste hexagram, in tweeregelige strofen geschreven, beseft de ik dat hij met zijn woorden niet gelooft ‘de waarheid te [kunnen] kennen’. Soms zingen de woorden rond: ‘bitterzoet soms als hemelse honing’. Maar een mens redt het niet alleen met de hemel. We hebben de aarde nodig, die door ons toedoen ‘verschraalt’, maar we willen ondertussen geen gemis ervaren in leven en liefde. Die afhankelijkheid ervan begint al op het moment dat een kind ter wereld komt. De daaropvolgende periode, ‘de jeugddwaasheid’ van de puberteit, behelst de zwerftocht naar geluk en liefde. 

Vanuit het perspectief van de levenslange ontwikkeling heeft Knibbe een reeks gedichten gecomponeerd waarin een enorme vaart zit. Enjambementen en de snelle opeenvolging van beelden, gebiedende wijs en versregels zonder werkwoordsvormen, filosofische observaties als ‘Het uitzicht is nergens hetzelfde en zoeken duurt langer dan vinden’ dragen daartoe bij. Knibbe wil veel zeggen in zo min mogelijk woorden. De gedichten zijn gelaagd en compact van opbouw. Soms lijkt de inspiratie haar te overspoelen. 

Spiegelende problematiek

De gedichten spiegelen de actuele problematiek: klimaat, migratie, smartphone, armoede en eenzaamheid. Naast de aantasting van de natuur is er het probleem van de bedelaars op straat, terwijl er ‘een gloed / lente over het leven en de meeste passanten / leken tevreden’, is er ‘Het leger’ van ‘makkers voor even’ die luidkeels van zich laten horen en die dromen op ‘Plaza Utopia’. Ze klampen zich aan elkaar vast. Maar gelukkig is de temmende kracht van de smartphone die hen toelacht’ en die de jeugd zich machtig doet wanen. Dit kleine heelal waarin op beeld de wereld langskomt, doet sterk verlangen ‘naar een aardse omhelzing’. 

Dat het egocentrisme hoogtij viert, blijkt voor de ‘spiegel van de maakbaarheid’ als iemand zich ontkleedt. Hij weet zich afgesneden van de wereld om zich heen. Hoe vind je dan ‘de vrede’, de moed, in zo’n geïndividualiseerde wereld om ‘een vreemdeling binnen te laten’. Hoe moeilijk is het in een ‘Gemeenschap van mensen’ ‘de Olympus [te] bestijgen // en […] de vlakte / met haar luie bedrijvige menigte // [te] mijden.’ 

Een mens dient immers te weten dat hij ‘tot beiden: god / die een mens zoekt en andersom in één lijf // dat met de voeten stevig geplant op de grond / het niet nalaten kan naar de hemel te kijken.’ Deze dubbelzinnigheid lijkt mij de dualiteit waarom het in deze bundel draait. Die verscheurdheid is van alle tijden: hoe je welkom te weten in deze leegte: ‘die men ontwaarde in eigen en / andermans ogen en adem’. 

In al het onmogelijke klinkt een positieve levensinstelling door. In ’De bekoorlijkheid’ zien we in het maken van het selfie boven op de denkbeeldige berg heel duidelijk de grootheidswaan en zelfzucht van de hedendaagse dalbewoner: ‘Het is / me gelukt! Voegt hij toe (met dat // uitroepteken erachter, hartje erbij).’ 

Ondertussen moeten we de onschuld van onze kinderen afschermen tegen alles wat het leven tegenwoordig bedreigt, zoals de algoritmen op de telefoon: ‘O algoritme van de liefde red de gestrande reiziger! […] wat // liegen verhullend je enen en nullen? / Zeg het niet, zeg // tegen de eeuwige reiziger: / weet ik niet.’ In het innerlijk hooggebergte met al zijn veranderingen en verschuivingen ligt het gevaar op de loer. 

De tweede afdeling ‘Op de berg is een vuur’ gaat over de inwerking van andere mensen op het leven van het individu gedurende zijn tocht door de bergen: ‘is het [dan] de geest die het lichaam / meesleept of neemt het lijf de geest mee op reis?’ Het leven zit vol schijnbewegingen en is een vuur ‘dat steeds hoger // en dieper vlamt. Misschien bestaat het grote / soms even uit samen.’ Er zit een optimistisch grondtoon in deze voortsnellende, observerende poëzie die de ironie van ons tijdgewricht niet uit de weg gaat. Knibbe toont haar meesterschap in haar metafoorkeuze. Ze gaat dilemma’s niet uit de weg: ‘Het is de wereld vandaag / die we veroveren moeten voor morgen’. Ze vraagt zich af of er wel voldoende aandacht voor het zwakke in onze samenleving, zoals al die ontheemde jongeren, voor wie het gezin ‘Het gezin’ zo wezenlijk is: ‘het hart [zou daarin] de basis [moeten] vormen / voor de verdeling’. Veel blijft voor Knibbe een vraag waarvoor geen oplossing voorhanden is, maar ze blijft zoeken en zich openstellen voor de routes omhoog uit het dal, op weg ‘naar het vuur’: ‘binnen in de aarde is een berg’.

Deze bundel geeft een schets van een levensweg langs steilten en afgronden. Heel nadrukkelijk werpt Knibbe in deze tweede afdeling de vraag naar de zin van dit leven op: ‘Of ik besta is een vraag die niemand mij stelt. / Mijn wereld? Een raam met uitzicht op elders // en nergens’. Daarmee brengt ze de metafysica haar poëzie binnen. Wie zegt er eigenlijk ‘ik’ in mij? In ’De omwenteling’ rijst de vraag: ‘waarvan en waarheen”. Je ontwaakt in een andere droom, ‘steeds besta ik in een andere droom’. Het wereldnieuws klimt lomp door het raam: ‘Waar / gaan ze naartoe? We volgen de waan van de dag. Telkens blijkt dat ‘Een duider / duidt en een andere duidt // hetzelfde anders, ze spreken / de taal van zeker weten’. Het blijft een Babylonische spraakverwarring. 

Toenemende verlatenheid

Naarmate de tocht op de berg vordert, neemt de verlatenheid toe. De eenzame zwerver, de pelgrim, de doler, hij moet lenig van geest zijn. In ‘Innerlijke waarheid’ geeft Knibbe een prachtig portret van de dichter die verleidend zich de woorden en beelden toe-eigent: ‘salonfähige non in habijt / met hoog split, ik kuis mij klunzige // schaamte schrans taaloordeel / over komma en punt spreek // niet met gom in mijn mind.’ Ze zoekt naar waarheid en verblijft in leugenachtigheid. Door alles heen is ‘mijn weg […] goedgelovig en / louche van aarde, ik kijk naar de mier: is nijver // de basis van een solide / bestaan? 

64 – Voor de voleinding

Een vrouw harkt het grind in haar tuin, harkt
het in banen in cirkel, harkt

de golfslag van zee rond een steen, harkt
aandachtig een pad

in haar geest. Ze weet dat
wind wat ze doet zal verwaaien, tijd

het slordig zal wissen, één
voetstap en de golf

breekt, is het eiland opnieuw niet meer
dan die steen. Ze weet dat 

het grind geen betekenis heeft: het gaat
erom dat de hand beweegt.

Dezelfde vrouw als uit het openingsgedicht harkt haar tuin en sluit de cirkel: ‘Ze weet dat / wind wat ze doet zal verwaaien, tijd / het slordig zal wissen’. Het grind heeft geen betekenis: ‘het gaat /erom dat de hand beweegt.’ Knibbe laat het begrijpen van deze levensreis als mens en dichter voor wat het is, het gaat ‘erom dat de hand beweegt.’ Niet het waarom, maar het meegaan in de beweging waarin je gesteld bent, is waar het om gaat. 

 

 

Omslag Binnen in de aarde is een berg  - Hester Knibbe
Binnen in de aarde is een berg
Hester Knibbe
Verschenen bij: De Arbeiderspers (2024)
ISBN: 978029550826
96 pagina's
Prijs: € 20,00

Om Literair Nederland draaiende te houden, zijn wij afhankelijk van vrijwillige bijdragen. U kunt ons steunen via de rode knop. Waarvoor onze hartelijke dank!

Meer van Johan Reijmerink:

Recent

Geen kinderachtige gedichten voor kinderen
20 juli 2024

Geen kinderachtige gedichten voor kinderen

Over 'Plint' van verschillende auteurs; redactie Mia Goes
De kunst van rake zinnen   
19 juli 2024

De kunst van rake zinnen  

Over 'Lotgenoten' van Sabrine Ingabire
Een duivelspact
18 juli 2024

Een duivelspact

Over 'Een hart van prikkeldraad' van Lisette Lewin
Een schitterende lawine van woorden
16 juli 2024

Een schitterende lawine van woorden

Over 'Londen' van Louis-Ferdinand Céline
Een vogel per maand
13 juli 2024

Een vogel per maand

Over 'Dit gaat nooit voorbij   ' van Octavie Wolters

Verwant