Gewone mensen dragen geen machinegeweren is een indrukwekkend driedelig essay door de Oekraïense Artem Chapeye (pseudoniem van Anton Vasillyovich Vodyanyi). Chapeye is journalist, schrijver, echtgenoot en vader van twee jonge kinderen. Eerder verscheen van Chapeye de Engelse vertaling van de verhalenbundel The Ukraine, waarvan het titelverhaal kort na de Russische aanval verscheen.
In Gewone mensen vertelt Chapeye over zijn keuze om niet met partner en kinderen het land te verlaten, maar mee te doen aan de verdediging van zijn land. Hij laat zien hoe hij zich dan toch nog schaamt en schuldig voelt tegenover de mannen en vrouwen die in de loopgraven vechten en dat niet overleven. Ondanks dat Chapeye ‘verschrikkelijk bang’ is voor de dood, wordt hij als pacifist vrijwilliger in het leger om te voorkomen dat zijn zoontjes later ook in een uniform moeten aantrekken.
Het voorwoord is geschreven door Tommy Wieringa. Chapeye kreeg afgelopen mei verlof om zijn boek in het buitenland, waaronder Nederland, te presenteren en aandacht te vragen voor ‘de gewone mensen’ in zijn land.
Een existentiële keuze
Het boek begint met een herinnering uit zijn jeugd eind jaren negentig. Hij las met zijn muts op en jas aan in een ijskoude bibliotheek een tweetalige (Russisch/Frans) uitgave van Camus. Na Camus stapte hij over op Sartre. Hij stuitte daarbij op het voorbeeld van een existentiële keuze uit 1940 die hem zijn leven lang is bijgebleven. Hij beschrijft in eigen woorden de belangrijkste stelling van Camus uit De mythe van Sisyphus: ‘Zelfs als er geen kans is op overwinning, moet je vechten – dat is jouw opstand tegen de absurditeit van het bestaan, en het is deze opstand die het bestaan zin geeft.’
En nu, dertig jaar later, en na de aanval van 24 februari 2022, vraagt Chapeye zich af wat hij zal doen. ‘Me aansluiten bij het verzet, of vluchten en bij mijn gezin blijven?’ Hij beschrijft wat er gebeurde tijdens hun hals-over-de-kop vertrek naar zijn moeder in West Oekraïne en wat er door hem heen ging vanaf het moment dat hij, zijn vrouw en kinderen midden in de nacht wakker werden door explosies. Als ze na veel problemen met vervoer in zijn geboorteplaats Kolomyia zijn aangekomen, had hij ‘slapeloos onder de zwaarte van mijn gedachten’ het definitieve besluit genomen om vrijwillig dienst te nemen. ‘Ik weet niet hoe je dit gevoel in andere landen noemt, maar in Oekraïne zeggen we om onduidelijke redenen “Spaanse schaamte”. Dat is als iemand anders iets doet en jij je daardoor schaamt.’ Hij heeft het over de schaamte die hij voelt bij het wegduiken van anderen voor hun al dan niet verplichte dienst in het leger.
Mythevorming over slachtofferschap
Het eerste essay, ‘Als de Duisternis oprukt’, gaat over de oprukkende Russische vijand tegen ‘het lijdzame Oekraïense volk’ zoals Chapeye dat had geleerd op school. In één alinea beschrijft hij vierhonderd jaar geschiedenis en vraagt zich daarbij af of dat ‘lijdzame’ wel klopt. In recent vernieuwde schoolprogramma’s leert zijn zoon over ‘een heldhaftig en onverslaanbaar strijdersvolk’. Beide maken volgens hem deel uit van een mythevorming.
Als hij met zijn negenjarige zoon rond een dorpsvijver wandelt, confronteert die hem met ernstig gezicht: ‘Papa, ik wil niet dat ze je naar de oorlog sturen.’ En hij antwoordt zonder na te denken: ‘Dat gaat niet gebeuren, lieverd, want ik ga uit mezelf.’ Hij weet niet of zijn zoon hem begrijpt en vraagt zich later af waarom hij hem eigenlijk moet verlaten en denkt: ‘Omdat ik, lieverd, als ik nu vlucht, later niet in staat zal zijn om je in de ogen te kijken.’ Het is een ontroerend beeld dat Chapeye van zichzelf geeft, met een ‘ziekmakend’ schuldgevoel tegenover zijn kinderen en zijn vrouw, die hem volledig ondersteunt.
In het tweede essay ‘We moeten ons tuintje onderhouden’, ligt Chapeye met zichzelf overhoop door vreselijke, maar ook mooie dromen en tegenstrijdige gedachten. Zijn vrouw is intussen in Berlijn met de kinderen. Er wordt haar een flink bedrag afhandig gemaakt bij het huren van een woning. Ook de zorgen over zijn broer in bezet gebied leveren twijfel en nachtmerries op. Er zijn wel een paar contacten die voor hem een steun zijn door wederzijds begrip, maar ‘niet iedereen zit te wachten op overpeinzingen over de grondbeginselen van het bestaan’.
Niet bereid om te sterven, wel om te vechten
Chapeye ontmoet Serhii, een veganist en mysticus, die in oorlogsomstandigheden toch bereid is te doden. Volgens Serhii gaat het om ‘een wereldwijde strijd tussen goed en kwaad’ en belt Chapeye af en toe op om hem een hart onder de riem te steken. Een andere verre kennis is Jevhen. Toen hem op het moment van de eerste dreigingen door Poetin werd gevraagd wat hij van plan was te doen, antwoordde hij: ‘Ben ik bereid te sterven voor deze staat? Nee.’ Maar toch stuurde Jevhen zijn vrouw en dochter naar het buitenland om zelf in dienst te treden. Chapeye schaamt zich om met hem contact te zoeken, omdat Jevhen zich in gevaarlijker omstandigheden bevindt dan hij zelf. ‘In het leger bestaat er zoiets als schuldgevoel omdat je gelooft dat je niet genoeg doet of het beter hebt dan anderen.’ Hij noemt dat gelaagde schuldgevoel, ‘een van die wonderbaarlijke psychologische fenomenen van de oorlog waarop ik niet had gerekend.’
Chapeye beschrijft de gebeurtenissen die hem de eerste maanden het gevoel gaven dat ‘alles wat ons overkwam een afgrijselijk sprookje was’. Een gevoel van absurditeit. Hoe bestaat het dat mensen oorlogen beginnen? Hij vraagt zich af hoe je mooie schouwspelen en de gruwelijke gebeurtenissen in de wereld naast elkaar kunt beschrijven. Hij rechtvaardigt dit door zichzelf ‘wijs te maken dat het voor de overlevering is’.
In het laatste essay, Mensen kun je niet in categorieën verdelen’, schrijft hij over zijn veranderde houding tegenover sommige vrienden (die het verzet niet steunen), over zijn veranderende gevoelens voor de Russen (van woede naar afkeer en tenslotte medelijden), over de tekeningen van brandende vliegtuigen en tanks die zijn kleinkinderen en achterkleinkinderen vrijwel zeker nog zullen maken.
Soms krijgt Chapeye de vraag of hij niet oorlogsmoe is. Hij weet het niet. Negen maanden na het begin van de oorlog krijgt hij, als deelnemer aan een literair evenement, de kans zijn vrouw en kinderen te bezoeken in het buitenland. Na een week moet hij terug en loopt door de winternacht en voelt dat dit zijn enige werkelijkheid is. ‘Mijn ware existentie. De volle diepte van het bestaan.’ Hij denkt dan nog wel dat een psychologisch gezond mens daar nooit uit vrije wil voor gekozen zou hebben.

Gewone mensen dragen geen machinegeweren
Artem Chapeye
Vertaling door: Tobias Wals
Voorwoord door: Tommy Wieringa
Uitgever: De Bezige Bij
ISBN 9789403139838
144 pagina's
Prijs: € 21,99
Kopen bij Libris












