31 maart 2011

Recensie: Gezichten, gestalten – Jeroen Brouwers

Recensie door: Machiel Jansen

Wachten op de dood

Alle grote kranten en persbureaus hebben uitvoerige levensbeschrijvingen van bekende personen klaarliggen zodat ze deze snel kunnen publiceren in het geval de betreffende persoon overlijdt. Beroepsschrijvers die deze stukken schrijven, herdenken de beroemdheid tijdens zijn of haar leven al. Als de dood komt, betekent dat dat het in memoriam afgemaakt kan worden.

Jeroen Brouwers zou wel eens boos kunnen worden als iemand zou suggereren dat ook hij een dergelijk archief van levensbeschrijvingen bijhield. Wachtend op de dood van een collega om bij het nog warme graf te kunnen publiceren. Zo berekenend terugkijken op een leven komt hard en onoprecht over. We hebben liever dat uit verdriet of weemoed herinneringen worden opgehaald. Maar verdriet en weemoed ontbreken bijna geheel in de achttien literaire portretten die Brouwers in het boek Gezichten, gestalten bij elkaar brengt. Alle achttien mannen zijn overleden en een groot deel van hen is kort na hun dood door Brouwers geportretteerd. Oprechtheid kun je Brouwers niet ontzeggen. Wel zijn zijn beschrijvingen vaak tegen het harde aan. Zwakheden worden niet verzwegen, oude ruzies worden niet met de mantel der liefde bedekt en wat waar was blijft dat ook na de dood. Rancuneus is hij overigens nergens. Maar dat van de doden niets dan goeds is op te merken, is een uiterste dat Brouwers veel te ver gaat.

Achttien portretten
De achttien portretten zijn, op twee na, van Vlaamse auteurs. Brouwers werkte vanaf midden jaren zestig, twaalf jaar lang bij de Vlaamse uitgeverij Manteau en leerde zo veel van de beschreven personen kennen. Het zijn niet allemaal beroemdheden, zeker niet in Nederland. Het zou interessant zijn te weten hoeveel van de in literatuur geïnteresseerde Nederlandse lezers de namen kent van schrijvers als Jan Walravens, Paul Snoek, Freddy de Vree, Raymond Brulez en Rob Nieuwenhuys. Onbekendheid is geen excuus om dit boek maar niet te gaan lezen, al is nieuwsgierigheid wel aan te bevelen.

Het aardige van deze verzameling portretten is dat ze, bij elkaar genomen, lezen als een anekdotische geschiedenis van de Vlaamse literatuur in de twintigste eeuw. Tot de achttien geportretteerden behoren ook bekende schrijvers als Louis Paul Boon, Marnix Gijssen en Jef Geeraerts en oude, bijna vergeten grootheden als Richard Minne, Herman Teirlinck en Cyriel Buysse. De oudste portretten zijn geschreven in de jaren zeventig, de nieuwste enkele jaren geleden. Toch leest deze schijnbaar bijeengeraapte verzameling prettiger dan een reguliere inleiding in de Vlaamse literatuurgeschiedenis van de twintigste eeuw. Een nadeel is wel dat een verantwoording van de teksten ontbreekt. Bij elk hoofdstuk wordt alleen het jaartal van oorspronkelijke publicatie vermeld.

Van Oorschot en de Vlamingen
Het boek opent erg sterk met een portret van uitgever, schrijver Geert van Oorschot (1909-1987). Brouwers’ afstandelijke beschrijving van een wel heel markante vriend heeft een enorme vaart. Het is een kritisch, liefdevol en bij vlagen hilarisch portret. Wat begint met een uitgesproken bewondering voor de uitgever, eindigt uiteindelijk in ruzie en de conclusie dat de man even opmerkelijk als onmogelijk is geweest. Dit prachtige portret werd al eerder gepubliceerd bij uitgeverij Van Oorschot, in 1989 onder de titel Het tuurtouw. De betekenis van de titel wordt duidelijk als Van Oorschot Brouwers komt opzoeken in Vlaanderen: ‘ “Jij moet hier weg”, zei hij.
Om het exact te citeren, hij zei: “Je moet van je tuurtouw los.” Die uitdrukking hoorde ik toen pas voor het eerst. Dat is het touw waarmee een schaap aan een paaltje vastzit om hem een bepaald stuk land te laten afgrazen.’

Brouwers krijgt nog het één en ander met de kleurrijke uitgever te stellen. Na het overlijden van zijn vrouw Hilly maakt Geert een stuurloze indruk. Brouwers beschrijft het prachtig: ‘Hij, los van zijn eigen tuurtouw, deed mij denken aan een doof en blind oud schaap, dat nu eens in het prikkeldraad bleef hangen, dan weer de sloot in liep, dan weer zijn poot brak.’

Het portret van Geert van Oorschot is verreweg het meest geslaagde uit het boek. De overige portretten zijn informatief, aardig of amusant maar alleen bij vlagen zo sterk als het eerste. Het portret van de oude Marnix Gijssen die in zijn wijkje in Brussel niets doet, is een mooi portret. Ook hier is het een combinatie van bewondering en een niets ontzienende beschrijving van eigenaardigheden die de geportretteerde tot leven wekt: ‘Altijd op schuifelpantoffels, alles in grijs- of bruintinten, de heer Gijssen placht enigszins muf te ruiken als een oud, verwaarloosd boek.’

Een aantal stukken ademen de sfeer van de jaren zestig en zeventig. In een enkel geval zie je dat ook aan de stijl waarin het portret is geschreven. Als Brouwers herinneringen ophaalt aan de dichter Hugues C.Pernath verlaat hij zijn gebruikelijke stijl en begint in genummerde paragrafen anekdotes te vertellen. De taal krijgt krullen, de zinnen worden lang en het doet uiterst gekunsteld aan. Het is alsof de maniërist Pernath ook door lang, krullend taalgebruik tot leven moet worden geroepen: ‘Bij die gelegenheid schraagde hij zich het lichaam met een wandelstok waarvan het holle binnengedeelte plaats bood aan een jachtgeweer, terwijl het ledige omhulsel, dat aan de bovenzijde middels enige uitklapsels tot een zittinkje kon worden omgevormd, bij het aanleggen op wild of gevogelte bij wijze van éénbenig gestoelte onder de bips kon worden geplaatst.’

Van een heel andere orde zijn de stukken over schrijvers als Buysse, Minne en Teirlinck. Schrijvers die met gepaste afstand, zo lijkt het, worden geportretteerd. Brouwers breekt een lans voor het werk van Buysse, die in 1932 overleed. Diens verzameld werk verscheen bijna onopgemerkt in de jaren zeventig en Brouwers probeerde daar in 1979 verandering in te brengen door het schrijven van dit hoofdstuk. Het betoog voor meer aandacht voor het werk van Buysse past in een grotere lijn die de portretten verbindt; de Vlaamse schrijvers zijn miskend, vergeten of nauwelijks opgemerkt. Volgens Brouwers is dat onterecht en hij laat merken de Vlaamse en Nederlandse literatuur op zijn duimpje te kennen.

De gestalte van Brouwers
Brouwers is niet de man die met weemoed terugblikt. Zijn toon is bijna altijd afstandelijk, met een vaak nauwelijks merkbare boosheid als achtergrond. Uit zijn zinnen spreekt af en toe een merkwaardige, lichte vorm van verontwaardiging die ik nauwelijks kan aanwijzen maar wel ervaar. Indirect leren we Brouwers zelf, door zijn portretten van anderen, wel beter kennen. Niet alleen door zijn toon, zijn herinneringen maar ook door het lezen van zijn voor- en afkeuren. Zo noemt hij De man die zijn haar kort liet knippen van Johan Daisne ‘het schitterendste prozawerk dat anderhalve eeuw Vlaamse literatuur heeft voortgebracht’.

Vreemd genoeg zijn het de portretten waarin Brouwers het meeste van zichzelf laat zien, de minste van dit boek. Het verhaal over Jan Emiel Daele uit 1978 gaat meer over Brouwers zelf dan over de Vlaamse schrijver. Eerst moeten we lezen hoe Brouwers’ vriendin die hij Nachtschade noemt (de nachtschade is een plantenfamilie waartoe ook de aardappel behoort) haar spullen in een ‘vrachttaxi’ stopt en er vandoor gaat. Dat is aanleiding tot Sturm und Drang-zinnen als ‘Bezat ik een vuurwapen, ik zou haar nu…’ en ‘Wie mijn liefde niet wil, liever schiet ik haar dood dan dat zij zal kunnen beweren dat het mijn schuld is dat zij niet van mij maar van een ander houdt. Wie mijn vriendschap niet wil, ik verpletter hem.’ Zoveel zwelgen in het eigen leed is iets teveel voor de nuchtere lezer. Daar komt nog bij dat Brouwers sommige zinnen verminkt door een experimenteel gebruik van de dubbele punt. ‘Wij waren: links waren we dachten we.’
De relatieperikelen van Brouwers hebben nog wel een functie in het stuk. Ze vormen de opmaat voor de vertelling dat Jan Daele zijn vrouw en zichzelf vermoordt. Brouwers schreef het stuk in 1978, het jaar waarin de dubbelmoord plaats vond. Emoties zullen hem wel bij het schrijven gehinderd hebben, vermoed ik.

Ook het stuk Niemand, absoluut niemand over de ‘verwekker’, de ‘naamgever’ van Brouwers, komt moeilijk op gang. Het woord ‘vader’ vermijdt hij in eerste instantie en ook het terugkijken op zijn jeugd lijkt hij met tegenzin te doen. ‘Al herinner ik me natuurlijk nog bepaalde dingen over hem, tegelijkertijd lijkt het toch ook of ik hemzelf totaal ben vergeten, of ik hem nooit in levende lijve heb gezien, of hij nooit in mijn leven is geweest.’ Wat volgt is een aarzelend, liefdeloos portret (‘omdat ik zulke liefde niet ken’) van een man die zijn schrijvende zoon nooit de erkenning gaf waar deze nog steeds naar zegt te hunkeren. ‘De vader’ was een onbuigzame man die een internering in een jappenkamp achter de rug had. De pijnlijke feiten worden nauwelijks tot leven gewekt. Ze worden bijna met tegenzin verteld. Wat we lezen is een kille, gevoelloze poging tot een portretbeschrijving van iemand die al vijfentwintig jaar dood is en alleen nog maar wat licht schurende sporen heeft achtergelaten. Invoelbaar wordt het nergens. Over Brouwers zelf zegt dit portret zijn trouwe lezers waarschijnlijk des te meer.

Al met al is deze bundeling van portretten meer dan een gelegenheidspublicatie voor de boekenweek die het literair portret als thema had. Vorig jaar bracht uitgeverij Atlas Brouwers verzamelde polemieken onder de titel Hamerstukken uit. Nu is het de beurt aan de korte biografie, het in memoriam en het portret.

Gezichten, gestalten

Auteur: Jeroen Brouwers
Verschenen bij: Uitgeverij Atlas
Prijs: € 24,95

Meer van :

17 augustus 2017

Gedichten die op afstand blijven maar ook weten te ontroeren

Over 'De wereld onleesbaar' van Jeroen van Kan
11 augustus 2017

Zorgenkind of zondagskind

Over 'Herinneringen in aluminiumfolie' van Jamal Ouariachi
9 augustus 2017

Wachten op Godot aan de Moldau

Over 'Een afgedane zaak' van Patrik Ouredník

Recent

7 augustus 2017

Een kanjer

Over 'De tandeloze tijd 6 : Kwaadschiks' van A.F.Th. van der Heijden
4 augustus 2017

Wondranden

Over 'Een tuin in de winter' van Anna Enquist
2 augustus 2017

Jannie Regnerus gebruikt geen woord te veel

Over 'Nachtschrijver' van Jannie Regnerus
31 juli 2017

Het gitzwarte leven

Over 'Noordwaarts' van Naomi Rebekka Boekwijt
28 juli 2017

Het lot van een niet-joodse jood

Over 'Buster Kafka' van Martin Schouten

Verwant