Het gebeurt allemaal hier, in de tuin, en de lucht erboven, met de heg zoals Annie M.G. Schmidt die beschreef in de verhalen van Jip en Janneke. De hoge ligusterhaag die de tuin omringt. Verhalen die geïnspireerd lijken op de buurt waar ik nu woon, Deventer noord. Alles in het noorden heeft iets basaals, iets oprechts. Wat niet per se sympathiek betekent. Ik maak lijstjes. Zaaien in juli: rucola, pluksla, paksoi, bietjes, koolrabi, andijvie.
Sinds de verhuizing is er iets veranderd. Niets serieuzigs, maar toch. In Fair Play van Tove Jansson wordt Jonna elke ochtend wakker als in een nieuw leven. Ik onderstreep de zin: ‘Eigenlijk voelde het wel prettig omringd te zijn met het onvoltooide, een beetje alsof je net was verhuisd en alles nog niet zo serieus hoefde te nemen.’ Verhuizen als opnieuw beginnen, het kan me niet lang genoeg duren.
We hebben een hittegolf doorstaan, de tweede komt eraan. Ik zet bamboestokken naast de tomatenplanten, schik het blad van de pompoenen, en denk aan het soort gedichten in De doodstrompet. Of ik het essayistische poëzie mag noemen. Over eindige levens, en opnieuw beginnen. Dingen die ik lees grijpen me meer aan dan ooit. Ik raak ontroerd door elke regel die er geschreven staat. Woorden als, ‘De aarde stootte mij af.’. Voel een onverklaarbare diepte als er over ‘vliegen’ maar daarvoor de ‘vleugels’ mist, geschreven wordt. En bij deze regels:
‘Ver en hoog had ik mij van ons huis verwijderd, / ik voelde hoe ik de stenen moest dragen. / Ik kon alleen maar met mijn armen maaien, / zo bang was ik om in te slapen.’
Ja, dan overvalt het me.
Maar kom, ik loop nog steeds door de tuin tussen twee hittegolven door. Op onvoorspelbare momenten jaagt de wind de parasols op hol, het doek wapperend als de wijde rokken van een dame op de fiets. Als je het eenmaal over Annie M.G. Schmidt hebt.
Vorig jaar bezocht ik om deze tijd van het jaar Paul Demets in Gent waar hij lector is aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten. Ik was er voor een interview. Het was een van de warmste zomerdagen. Ik was gewapend met een notitieboekje, had plakkerige handen, verbeeldde me niks.
Het was een overrompelend gesprek. Ik bedoel, ik was onder de indruk. De levenskracht van een dichter die op meerdere kunstzinnige fronten zeer actief is, zelf geen bundel meer publiceerde (‘ruim 23 jaar waarin ik niets gepubliceerd heb, maar wel in stilte verder heb geschreven’). Tot hij in mei 2015 een hartstilstand kreeg, met spoed geopereerd werd. Een nieuw leven begon. ‘Alles werd vloeibaar. / Alles kwam ten einde toen alles herbegon.’
Over de dood, het raken aan de dood. Zoals Demets het beschrijft, een toestand weergeeft, iets ongrijpbaar blijft. De aantrekkende kracht daarvan. Als een soort Wunderkammer waarin de dood naast het leven ligt uitgestald. In stilte geschreven, nu gebundeld. En waar die ontroering vandaan komt? Daar waar uit de dood nieuw leven ontstaat. ‘Altijd op het punt om te vertrekken. / We lopen door de kamers / die ons hebben voortgebracht.’
Inge Meijer is een pseudoniem.














