Kauwde, slikte door

Een goed boek houdt je na lezing nog bezig. Eind zomer las ik een boek waarin de ik-verteller briefjes met contactgegevens opeet, als werkte hij voor de geheime dienst. ‘In een reflex stopte ik de prop in mijn mond, kauwde, proefde inkt en de goedkope zompige structuur van kladpapier.’ Het boek speelt in de maand augustus van 1988. In die maand komt alles in het leven van Erik Poelman bij elkaar. De oudere neef Kaj, die zijn vrouw verliet voor een man, ziek werd, stierf aan aids, voorheen al doodgezwegen door zijn familie. Een christelijke vriend uit zijn schooltijd wordt vermoord. Met zijn vriend Maurits, een Couperus adept, bezoekt hij in de weekenden homobars in Amsterdam. Tegen elkaar zeggen ze hetero’s te zijn die spelen dat ze homo zijn. Wordt het niet eens tijd er voor uit te komen dat hij echt op mannen valt? Maar hoe doe je dat. Die zomer gaan Maurits en Erik naar Den Haag, nemen een hotel, er broeit iets, maar ze zijn hetero, toch? Na een uitgaansavond, belanden ze bij elkaar in bed, vrijen. Waarna de draad van hun vriendschap dunner wordt.

Daarbij is Erik bang om ziek te worden, met iets besmet te raken. ‘Dat iets was elke avond en nacht in Amsterdam aanwezig. het wandelde mee, in de Reguliersdwarsstraat, bij het DOK aan het Singel, vergezelde me naar de andere cafés en disco’s in het centrum waar mannen kwamen, en waar wij dus ook kwamen. Het kon me elk moment aanraken.’
In een poging zijn leven richting te geven, besluit hij naar Maastricht af te reizen. Hij heeft een briefje waarop telefoonnummers van mannen die reageerden op de contactadvertentie die zijn vriend Maurits voor de lol in de krant plaatste. Erik hield de telefoonnummers van het stapeltje ‘Nee’ voor zichzelf.

Had hij niet samen met zijn moeder televisie zitten kijken naar een uitzending van Sonja Barend, waar een man was uitgenodigd die zei dat het voor homo’s gewoon was om seks te hebben met honderden mannen? ‘(…) soms wel een paar kerels op een avond. Een schok ging door de zaal bereikte de huiskamer,’ Dat zijn moeder snuivend zei, ‘Wat smerig, Niet gek dat je dan ziek wordt en doodgaat.’ Durf dan nog maar eens te vertellen dat jij op mannen valt.

Als Maastricht mislukt, bezoekt hij de dichter Hans Warren in Zeeland. Warren woont samen met een jongeman. Door zijn dagboeken die in de jaren tachtig verschenen, is hij iemand om naar uit te reiken, bij te willen horen. Als Erik bij het huis van de dichter komt aanfietsen, rijdt deze net in een volvo met zijn jonge vriend aan het stuur het pad af.
Dat je de wereld in wilt, dat je steeds als het erop aankomt, niet durft, of miskleunt. Iemand opbellen, een afspraak maken bij een van de mannen van het papiertje, het komt er niet van. Daarvoor is zijn dialogue intérieur eenvoudigweg te sterk, praat hij zichzelf alles uit het hoofd, gaat onverrichter zake naar huis. Zijn moeder die zegt, Hé, ben je weer thuis?

Als hij van de man die met zijn neef Kaj is geweest, zijn visitekaartje krijgt, scheurt hij het later in drie stukken, steekt ze in zijn mond, ‘kauwde, slikte door’. No way, dat hij hem eens gaat opzoeken. De briefjes die hij in zijn mond vermaalt, alsof hij er de werkelijkheid mee wil uitwissen. Ingegeven door de berichtgevingen uit die tijd, was het gewoon geen goed idee om homo te zijn. Ook het kaartje van een bejaard artsenechtpaar dat hem in de trein naar Goes conversietherapie aanraadt, verdwijnt meteen in zijn mond. ‘kauwde, slikte door’.

‘Ik vind dat ik niet uit de kast hoef te komen, dat ik moet zeggen ‘ik bén homo’, want dat ben ik niet, ik bén Wobie, en Wobie valt misschien op mannen.’ schrijft Splinter Chabot in Confettiregen. Als dit boek in de jaren tachtig was verschenen, had het de verteller uit Augustus zeker aangezet zichzelf te omarmen. Augustus is een indringend auto-fictie boek, over een jeugd in de jaren tachtig. Hoe er in die tijd volstrekt afkeurend over afwijkende geaardheid werd gedacht, hoe vernietigend dat was. Goed geschreven, een doordenker, een aanrader.

 

 

Augustus / Eric de Rooij / blz. 224 / Uitgeverij kleine Uil (2022)


Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over waar literatuur en het leven elkaar raken.

 

 

 

Meer van Inge Meijer: