Anna Husson
Column

Het boek dat ik achterliet

Er zijn boeken waarvan ik denk dat ze bij me horen. Een schrijver heeft iets opgeschreven wat ergens al die tijd in mij aanwezig was, maar waarvoor ik zelf de woorden niet vond. Ik onderstreep zinnen, onthoud passages en weet jaren later nog waar ik was toen ik het las. Misschien herinner ik me niet meer precies wat er gebeurde, maar wel wie ik toen was. Voor mij was Vreugde van Manuel Vilas zo’n boek.

Een paar dagen na de verjaardag van mijn overleden vader las ik opnieuw enkele passages. Inmiddels was dat een jaarlijkse gewoonte geworden. Misschien wilde ik het verhaal herlezen; misschien wilde ik vooral terug naar degene die ik was toen het boek zoveel voor me betekende.

In Vreugde schrijft Vilas niet over rouw als iets wat je achter je laat, maar als iets wat zich tussen de gewone dingen van het leven nestelt: in een herinnering, een naam, een maaltijd, een straat, een lied. Zijn ouders zijn dood, maar hun afwezigheid maakt hen voortdurend aanwezig. Dat was wat ik rond de verjaardag van mijn vader zocht: niet zozeer troost, maar een vorm waarin zijn afwezigheid kon bestaan.

In de jaren daarvoor had ik het boek op diezelfde datum geopend in de verwachting dat de zinnen me zouden opvangen. Dat ik in Vilas’ herinneringen iets van mijn eigen verdriet zou terugvinden. Alsof verdriet, eenmaal in een boek vastgelegd, op je blijft wachten. Dit keer gebeurde dat niet.

Sommige zinnen die me vroeger diep hadden geraakt, deden me nu weinig. Waar ik ooit dacht: ja, precies, zo is het, vroeg ik me nu af waarom ik daar destijds zo door getroffen was. Wat ik vroeger prachtig had gevonden, vond ik nu soms zelfs wat nadrukkelijk. Ik las niet alleen over het verlies van Vilas’ ouders, maar merkte ook hoezeer mijn eigen verhouding tot verlies was veranderd.

De zinnen die me ooit hadden opgevangen, deden dat nu niet meer. Ik was niet langer degene die erin had willen schuilen. Het boek bracht me niet terug naar mijn vroegere verdriet. Het liet me zien dat ik er inmiddels naast was komen te staan.

Bij het herlezen bleef ik hangen bij het besef dat de doden niet alleen verdwijnen, maar ook de wereld meenemen waarin zij jou hebben gekend. Wanneer mijn vader stierf, verdween er niet alleen een mens, maar ook een getuige van mijn vroegste leven: iemand die zich mij herinnerde van vóór ik mezelf volledig kende. Met hem verdween een blik op mij die niemand anders ooit precies heeft gehad.

Misschien haalde ik het boek daarom steeds rond zijn verjaardag uit de kast. Niet alleen omdat ik mijn vader miste, maar omdat ik in Vilas’ ouders ook mijn eigen vader tegenkwam en het meisje dat ik was toen hij nog leefde. Het boek gaf me hem niet terug. Dat kon het niet.

Dat is het vreemde aan herlezen: de woorden zijn dezelfde gebleven, maar ondertussen ben ik zelf veranderd. Ik heb geleefd, mensen ontmoet, afscheid genomen. Ik hoef mezelf niet meer in een boek te herkennen. Ik kan Vilas begrijpen zonder zijn leven te bewonen en zijn verdriet lezen zonder het mijne erin te verliezen.

Wat me uiteindelijk het meest trof, was dat mijn herinnering aan Vreugde mooier was geworden dan het boek dat nu voor me lag. Ik had niet zozeer het boek bewaard, maar wat het ooit met mij had gedaan. Misschien zijn boekenkasten daarom gevuld met gedenktekens voor vroegere versies van onszelf.

Ik heb Vreugde weer teruggezet. Het mag blijven waar het hoort: in een vroeger leven, bij een vroegere versie van mij en toch ook op die ene dag waarop ik mijn vader opnieuw mis. Het boek was niet veranderd. Ik was verdergegaan.

Anna Husson heeft een passie voor Nederlandse literatuur. Het komende jaar schrijft zij tweemaandelijks een column over haar bevindingen met literatuur.

Columns