Er zijn boeken waarvan je spijt hebt dat je ze gelezen hebt. Jaren geleden kocht ik een boek van Jeffrey Moore, Het laatste genootschap der dieren. Ik had me een soort Watership Down voorgesteld, maar de inhoud beschreef minutieus manieren om wereldwijd dieren te martelen. Als afschrikwekkend voorbeeld, dat wel, maar ik had er al na een paar bladzijden meer dan genoeg van. Sommige verhalen hebben nog heel lang door mijn hoofd gespookt. Apen van wie levend de schedel werd gelicht, konijnen die met rode oogjes cosmetica moesten zien te verdragen, beren wier poten werden gekookt in olie terwijl ze nog leefden. Kokhalzend heb ik het boek weggegooid, wat ik tot dan toe alleen maar had gedaan met een exemplaar van De avonden van Reve. Niet omdat ik ervan walgde, maar omdat het zo stukgelezen was, er geen enkele bladzijde meer op zijn plaats zat en het aan vervanging toe was.
Ik ben al heel lang vegetariër. Ik kan niet tegelijk van dieren houden en ze opeten. Ik eet geen jong katje of een puppy, waarom zou ik dan wel een kalfje dood en dampend op mijn bord willen zien? Een leven is een leven is een leven. Mijn oma deed het wel, katten eten. Ze legde ze in een stoofpan tussen de uien en de worteltjes. Lekker, zei ze, net konijn. Van de vachtjes maakte ze een bontje voor op haar zondagse jas. Mijn vader wilde nooit bij zijn schoonmoeder vlees eten, tenzij hij de kop van het gebraden dier had mogen zien. Lange oren waren geruststellend.
Mijn vader moest kijken, ik juist niet. Zodra er op tv iets vertoond wordt met dierenleed, haak ik af, ga in de keuken thee zetten tot het voorbij is. Filmpjes op sociale media hoef ik niet te zien, klik ik weg. Maar dat verrekte algoritme! Hoe meer petities ik onderteken, een bijdrage lever aan een goed dierendoel of simpelweg mijn steun betuig aan Wakker Dier, hoe meer afschuwelijke filmpjes ik te zien krijg. Ik kijk en klik niet meer, bang om nog meer gruwelijke behandelingen van weerloze dieren te moeten zien, die nog weken, zo niet langer, blijven haken in mijn geheugen. Mijn reactie staat averechts op de bedoelingen van de makers, die juist aandacht vragen om de uitbuiting van dieren te helpen stoppen. Maar ik kan er niet meer tegen.
Om mezelf te troosten wend ik me dan steevast tot Rudy Kousbroek, die een grote liefde voor dieren koesterde, vooral voor katten. Zijn boeken De aaibaarheidsfactor en Wat moet ik zeggen en hoe zeg ik het in het Kats getuigen er op speelse wijze van. Alle dieren zijn medereizigers op onze reis door het leven vond hij en hij schreef er gedichten over in de bundel Dierentalen en andere gedichten (2003) die ik altijd onder handbereik heb. Zoals het volgende gedicht, waarvan ik vermoed dat Kousbroek het serieuzer meende dan het op het eerste gezicht lijkt:
Kattepoten
Tel de kattepoten een voor een,
Tel ze alle en vergeet er geen,
Tel ze alle!
Tel ze een voor een,
En ge ziet Gods goedheid en genade alleen.
Ik heb alle kattenpoten bij mij thuis geteld, het zijn er acht. En ik moet erkennen: Kousbroek had gelijk. Ik kan er weer even tegen.













