Midden in de nacht werd ik wakker van de sirenes van twee, drie brandweerwagens. Het geluid vervaagde niet in de verte, zoals in andere nachten, maar bleef dichtbij hangen. Ik vroeg me af waar de brand zou zijn, maar viel toen weer in slaap met de zelfzuchtige gedachte dat het niet mijn huis was.
De volgende ochtend hoorde ik dat het de woning betrof van een van onze markantste dorpsbewoners. Iedereen had hem jarenlang zijn dribbelpasjes door het dorp zien maken, zowel zomer als winter geschoeid en gekleed in sandalen en een korte broek, waarvan de pijpen zo opgekruld waren dat ze bijna niet verborgen hielden wat eronder zat. Met zijn helblauwe ogen en zijn volle baard, die in de loop van de jaren van bruin naar wit gekleurd was, was hij voor het dorp een bekende figuur.
Wie hem voor gek versleet, vergiste zich. Ik heb hem eens horen deelnemen aan een discussie over het dogma van de katholieke kerk, waarin hij een uitgesproken mening had over spiritualiteit en naastenliefde. Hij nam nooit een blad voor de mond, filterde zijn woorden niet om iemands gevoelens te ontzien, hij was geen mooiprater. Hij heeft mij eens onomwonden verteld dat ik te dik was, en dat ik alle voedsel dat wit van kleur was, moest laten staan. Ook moest ik mijn urine drinken, en dat was het moment waarop ik hem op een ander gespreksonderwerp probeerde te brengen. Maar hij was altijd vriendelijk en onbevangen en zijn unieke kijk op grote en kleine problemen was zo gek nog niet.
Een zonderling, dat was hij wel. Hij wist alles, zei hij, daarom hoefde hij geen boeken te lezen. Hij stelde zich steeds onder een andere naam voor, was ervan overtuigd dat hij onsterfelijk was of tenminste tweehonderd jaar zou worden. Hij had van zijn huis een museum gemaakt, volgestouwd met spullen ‘die altijd nog een keer van pas konden komen’. Door de ramen kijken was niet mogelijk, want hij had het glas volgeplakt met uitgeknipte koppen van kranten en tijdschriften.
Van datzelfde huis bleef na de brand niet veel meer over. Toen er later een verkoold lichaam werd gevonden, hield iedereen in het dorp de adem in. Een dag later kwam de bevestiging dat het inderdaad om de eigenzinnige bewoner ging. Diezelfde dag nog werd er een veld vol bloemen voor het huis gelegd en een week later luidden de kerkklokken voor een herdenkingsbijeenkomst op het dorpsplein, waarbij alle aanwezigen een korte broek droegen. Ook de burgemeester, die een respectvolle toespraak hield, waarna een minuut stilte volgde.
Op deze aarde
waar altijd wel ergens
gevochten wordt en gemoord,
gekrepeerd en honger geleden,
zijn zonderlingen te vinden
die soepgroente op het brood eten
en anderen die zich moed indrinken
om een muis dood te slaan.
Maar vreemder zijn de miljoenen
die in alle gemoedsrust nieuwe
mensen maken en veronderstellen
dat men zijn ouders dankbaar is.
Hanny Michaelis
We zijn weer een paradijsvogel armer. Ik zal hem missen als ik door het dorp fiets. Het zal een stuk saaier worden nu deze man geen kleur meer geeft aan de monotonie van de rijtjeshuizen en hun bewoners.
Wie uit de maat loopt, hoort een andere tamboer. Ik heb me voorgenomen om wat beter te luisteren.

Verzamelde gedichten
Hanny Michaelis
Uitgever: Van Oorschot
ISBN 9789028252165
280 pagina's
Prijs: € 21,50
Kopen bij Libris












Één reactie op “Paradijsvogel”
Een pakkende recensie, Hettie en een gedicht dat tot nadenken stemt.