Fijne boekenweek!

De ochtend na het Boekenbal douchte ik de resten van een kleurspoeling uit mijn haar. Dacht aan de rode loper die ik op foto’s voorbij had zien komen, de toespraken, het dansen. Welke schrijvers er waren, en of Jeroen Brouwers daar eigenlijk wel eens komt, en A.L. Snijders, Vonne van der Meer, H.C. ten Berghe. Of raakt het boekenbal eens passé onder  schrijvers? Toen kwam de ‘stel dat ik erbij was geweest’ gedachte. Het had gekund, elk jaar ontvangt Literair Nederland van de CPNB een persuitnodiging. Waarop steevast een week voor het bal begint een afwijzing volgt vanwege teveel aanmeldingen. Gek genoeg nodigt de CPNB zijn persrelaties uit en geeft vervolgens een ‘non-accreditatie’. Maar dit jaar was anders. De uitnodiging was persoonlijker, (we zouden het fijn vinden), dat streelde de veren, deed denken aan nieuwe schoenen, een goede pen. Toch kwam daarna de mail: ‘Helaas moet ik je een teleurstellende mail sturen’, met een vonkje hoop, ‘Omdat we je er eigenlijk wel bij willen hebben sta je nog wel op de reservelijst wanneer er iemand verhinderd is.’ Dat vond ik echt tof.

Op de dag van het Boekenbal mailde ik nog even of er misschien al iemand van de perslijst was afgevallen. Maar ‘helaas’, geen afmeldingen, afgesloten met: ‘Heb een mooie boekenweek!’ Daar lichtte ik van op. Nog nooit heeft iemand mij een fijne boekenweek gewenst, alsof het de kerstdagen waren. Ik mailde per omgaande, ‘Dank! Jullie ook!’
Enigszins verlicht keerde ik terug tot de realiteit van de dag, ging verder met het lezen van Andrej Platonov. Ik was bijna halverwege het ruim achthonderd pagina’s tellende verhalenboek. In een van de langere verhalen, ‘De verborgen mens’ heeft Foma Jegorytsj Poechov net zijn vrouw Glasja begraven. Poechov is een man zonder conventies, geen dweper. Alles geschiedt volgens hem volgens de wetten van de natuur, en het is zo fijn beschreven: ‘Hij sneed op de grafkist van zijn vrouw een gekookte worst in stukjes, daar hij wegens afwezigheid van de vrouw des huizes uitgehongerd was.’ Als hij de volgende dag ontwaakt roept hij: ‘Glasja!’ Maar niemand zegt, ‘Wat is er, Fomoesjka?’

‘Daar had je ze dan, de wetten van de natuur’, dacht Poechov berouwvol: ‘Ik had groot onderhoud aan mijn oudje moeten plegen, dan had ze nog geleefd, maar er zijn geen middelen en de kost is niet best!’ Poechov werkt op een sneeuwschuiver die de rails op de Steppe van Rusland moet vrijhouden van sneeuw. Het is de tijd van de Russische revolutie en het is onmenselijk werk, er is honger, wodka en ongelukken. Aan stationsmuren hangt de propagandatekst: ‘Wij arbeiders nemen boeken ter hand, / Leer, proletariër, vergroot je verstand!’. Nogal onbeholpen geschreven volgens Poechov, die er een vrolijke eigen mening op na houdt. ‘Je moet zo schrijven dat alle sukkels van de weeromstuit verstandig worden!’ Ja, dat was me nog eens een tijd.

Oja, nog onder de douche kreeg ik na de ‘stel dat’ gedachte een plotselinge schok van realiteitszin. Hoe had ik het in vredesnaam in mijn hoofd gehaald, ik, naar het Boekenbal! Met die uitgroei in mijn haar, geen geschikt tasje of jasje, en hoe had ik in godsnaam weer thuis moeten komen?

 

 

Verhalen / Platonov / vertaling en nawoord door Aai Prins / Uitgeverij Van Oorschot, 2019


Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV en ging niet naar het Boekenbal. 

Meer van Inge Meijer: