Een interviewer wil weten wat het volgende boek is, wat de schrijver drijft en zo meer. De schrijver zegt, wacht maar af, ik weet het niet, we zien wel. Of ,zoals Jeroen Brouwers in het interview rond de uitreiking van de Libris Literatuurprijs zei, ‘Hier is mijn oeuvre en je moet het er maar mee doen’. Dan wil de interviewer weten, ‘Ja, maar een schrijver die wil toch schrijven, die heeft een innerlijke noodzaak?’ En de schrijver, de tachtig gepasseerd, zegt er ‘geen zin meer’ in te hebben, dat het ‘mooi geweest’ is. Dat die hele innerlijke noodzaak, die stuwende drijfkracht, tot rust is gekomen. Dat was de schrijver aan te zien. Je dacht altijd al, het is geen doen. Steeds weer een boek schrijven, al die drank die er toe leiden moet. En alles met de hand hè, met potlood, in schriftjes, op elke losliggende snipper papier. Ach, deze schrijver is een vakman. Die moet je niet vragen hoe hij het doet, waarom en waarvoor, die doet. 

Nadat in 1981 Bezonken rood verschenen was, begon Brouwers aan De zondvloed te werken, het begon met aantekeningen (op losse blaadjes, in schriftjes, neem ik aan). In 1988 was het boek klaar, tussendoor schreef hij aan Winterlicht, dat in 1984 verscheen. Over de nadagen van een schrijver, Jacob Voorlandt. Op afstand deed Voorlandt me denken aan de oude schrijver Lonoff, uit Ghostwriter van Philip Roth. Het is wat je leest waartussen de verbindingen ontstaan. In 1983 schrijft Brouwers in Het is niets, dat zijn huwelijk op orde is. Wel wordt de schrijver gekweld door verlangens, als was hij een trillend schoolmeisje in vroegere dagen, ‘altijd, altijd ogenblikkelijk verliefd op iedere vrouw die toevallig mijn pad dwarst.’ En ja, als je eenmaal Brouwers leest, teruggaat in al die boeken, brievenboeken, zelfmoordboeken, dan spreekt een groots binnenhuis leven, gedreven door de wil te schrijven. Daarbij de drank, slapeloze nachten, verbroken relaties, en immer, immer dat smachten. Ook als het leven goed was, hunkerde hij.

De zondvloed is zijn kernboek. Over de getergde schrijver, die zijn vrouw en kinderen verliet, door zijn nieuwe geliefde in de steek gelaten, trekt hij zich terug in een dennenbos. In een huis dat kraakt en piept, dozen vol jenever. Conversaties met de telefoon (geweldige passages). Lege flessen gooit hij uit het raam. ‘Om mij heen was die immense stilte van het bos dat allengs vol lege flessen kwam te liggen’. De schrijver denkt aan zijn verramsjte boeken, denkt aan de dood. Maar hij leeft, is zich de dingen scherp bewust, schrijft in schriftjes. ‘Er werd klaarblijkelijk nog iets van mij verwacht: – misschien moesten er in de toekomst toch nog dingen door mij worden geschreven die niemand anders dan ik zou kunnen schrijven, of willen schrijven, of kunnen schrijven…’.
Die toekomst is bereikt, meer dan zestig boeken. Niet meer schrijven is een keuze. ‘
Naarmate de schrijver schrijft, gumt hij zichzelf uit.’, schrijft Brouwers in de jaren tachtig. Nu is de schrijver klaar, dus hup, lezen, heel dat oeuvre. Dan spreken we verder.

 

 


Inge Meijer reist met het OV, vergeet geregeld haar mondkapje, leest boeken uit.

 

Meer van Inge Meijer: