‘Een lauwe lentebries streelt zijn wangen. De mensen lopen langs, maar groeten niet’. De verteller van Ik ben Aizaak geschreven door Lammert Voos opent deze korte roman in de stijl van de lichte lenteavond die de kleur van de gedachten van de oude Aizaak bepaalt. Een waarzegster in Praag voorspelde hem als jonge man dat hij naar een grijze zee zal gaan. Nu zit hij op hoge leeftijd in Noord-Groningen met mist in de ogen en ruis in de oren: zijn grijze zee.
Maar zoals de verteller zijn korte introductie schrijft: dit gaat te snel, eerst moet zijn verhaal verteld. Dat verhaal beschrijft de tocht van de jonge jongen vanaf zijn vlucht op zijn tiende, elfde jaar dwars door (Midden-) Europa waar in de 18e eeuw diverse oorlogen woeden tussen het koninkrijk Pruisen, de Saksen, Oostenrijk en later ook Rusland. ‘De jongen’ zoals hij bijna het hele boek wordt genoemd, woont aan het begin van het verhaal met zijn vader en moeder in Chlewiska een dorp zo’n 150 kilometer ten zuiden van Warschau. Hem wordt van jongs af aan voorgehouden dat hij westwaarts moet vluchten als mamme en tatte, moeder en vader, iets overkomt. Hij moet dan naar zijn oom Shimon Izaäka in Neurenberg die voor hem zal zorgen. Van zijn vader leert de jongen daartoe wat basale bushcraftvaardigheden. Hij ontvlucht ternauwernood het huis wanneer hij en zijn ouders belaagd worden en zwerft daarna door de bossen richting het westen. De lessen van zijn vader blijken niet helemaal toereikend, maar gelukkig zijn er altijd weer mensen en omstandigheden die hem helpen.
Voortdurend op de vlucht
De tocht van de jongen is een coming of age en leest als een harde maar spannende roadtrip. Hij sluit zich na een moeilijke eerste periode aan bij een groepje van twee ruige Oostenrijkse spionnen en de Poolse Mazurek en trekt later verder met één van hen, ‘moordenaar’ Mazurak, die zich over de jongen ontfermt, hem beter leert overleven in de natuur en hem op een moment zelfs vaderlijke genegenheid schenkt. In steden die ze aandoen leert hij weer anders overleven door bijvoorbeeld zakkenrollen en daar leert hij ook de liefde kennen dankzij Jana, een meisje dat hem helpt als Mazurak niet meer verschijnt. Als de jongen ook Jana kwijtraakt trekt hij weer alleen verder. De oom uit Neurenberg vindt hij daar niet, die blijkt naar Nederland vertrokken dus moet ook hij verder westwaarts. Ondanks alle ontberingen en de gedwongen overlevingsmodus blijkt zijn morele kompas nog in orde als hij onderweg een vrouw behoedt voor een verkrachting. Onder de namen Marthalina en Alfons trekken de vrouw en de jongen in haar wagen verder richting de Lage Landen. Pas als ze in Nederland zijn vertelt hij haar en de lezer dat hij Aizaak heet. Haar echte naam is Naitolina. Via Amsvorde en Swoll trekken ze naar De Leek waar Naitolina’s ouders wonen, ‘een hel van vocht, muggen en ziekte’, en ze settelen zich als echtpaar in Enumatil een dorpje aan het Groningse Hoendiep.
Aizaak en zijn ouders zijn Joods, maar Aizaak ‘geloofde reeds lang niet meer’. Hij houdt zich niet aan joodse wetten, regels en gebruiken want als hij wil overleven heeft hij niets aan religie, is zijn ervaring. Dat is de theorie. In de praktijk zoekt hij niet alleen letterlijk de weg naar zijn oom en het westen maar ook figuurlijk naar een identiteit, die hij zelf omschrijft als eerder die van een ‘bedeljood’, een gannef, dan van een orthodoxe chassidiem. Hij wordt voortdurend geconfronteerd met die identiteit, bijvoorbeeld in het begin van het verhaal als zijn moeder in antwoord op zijn vraag waarom zijn ouders niet vluchten zegt: ‘Voor ons is geen plaats in deze wereld’. Overal ziet hij daarvan de voorbeelden, bijvoorbeeld in het feit dat joodse begraafplaatsen buiten de hekken op kale hellingen liggen en vaak beschadigd zijn. De jodenvervolging, -discriminatie, -getto’s en -onderdrukking, pogroms en de diaspora zijn voortdurend aanwezig in de 18eeeuwse Europese werkelijkheid, ook als Aizaak uiteindelijk in Groningen belandt en daar een vergeldingsactie tegen joden meemaakt. Naitolina blijkt ook Joods te zijn. Zij en Aizaak stichten een gezin en hoewel zij graag koosjer wil eten en de sabbat wil heiligen blijkt dat waar zij wonen moeilijk en wat Aizaak betreft niet wenselijk, omdat ze daar als enige joden ‘toch al met de nodige argwaan bekeken [worden]’.
Vrijheid en verlies
De oude Aizaak eindigt eenzaam in Solte Campe, Zoutkamp, een plaatsje aan de toenmalige Lauwerszee met een open verbinding naar de Waddenzee, in Noordwest-Groningen. De open ruimte en weidsheid van het Groningse (kust)landschap worden mooi beschreven. Voor Aizaak die moeilijk kan wennen aan leven onder een dak en die altijd de aanvechting blijft voelen om verder te trekken is deze omgeving wat dat betreft precies de goede: hij kan hier ademhalen, geniet van de wind, proeft het zout in de lucht, ziet overal horizon. Aan het eind van zijn leven ziet hij om. Hij voelt verdriet over zijn thuis en zijn ouders van wie hij niet heeft kunnen bevatten dat ze er niet meer zouden zijn. Soms vraagt hij zichzelf af of hij niet gewoon op de vlucht is voor andere mensen en vooral voor duistere gedachten die hem kwellen over alles wat hij gedaan heeft wat God verboden heeft. Van de vijf kinderen die hij en zijn vrouw hebben mogen krijgen zijn vele overleden en één zoon heeft afstand van hem genomen. Nadat de grafjes van hun beide jong overleden dochtertjes zijn geruimd verliest Naitolina zich in haar verdriet en raakt hij ook haar kwijt. Hij realiseert zich dat hij te veel dood en verderf gezien heeft en dat het niet de fysieke aftakeling is die ouder worden onaangenaam maakt maar de opeenstapeling van verlies.
De roman Ik ben Aizaak is soms spannend, af en toe aangrijpend en regelmatig rauw. In zijn beschrijving van sfeer, landschap en weidse ruimte van het Hoge Noorden is de noorderling Voos op zijn best. Het hoofdpersonage Aizaak en zijn vlucht naar de Lage Landen is gebaseerd op een 18e eeuwse voorvader van de schrijver Lammert Voos die en passant ook de toenmalige Friese vrijheidsstrijder Salomon Levy in de korte roman laat figureren. Toepasselijke tekeningen van Laurens Bontes vormen mooie illustraties bij verschillende scènes uit het verhaal. Ook het omslag is door hem getekend. De oude Aizaak zit daarop met een lichte frons, in zichzelf gekeerd, berustend en de handen samengeknepen temidden van vogels, noem het gedachten, overwegingen, wijsheden, die hem bestoken. De roman is te lezen als een actuele parabel over mensen op drift en over omstandigheden die je tot keuzes dwingen. ‘Er was geen God. Er was geen zin. Men deed maar wat’ overdenkt Aizaak enigszins defaitistisch aan het eind van zijn leven. In korte intermezzo’s aan het begin en eind van de roman en enkele malen tussendoor spreekt de schrijver zelf. ‘Ik ben dus degene die het verhaal vertelt’. Hij beschouwt, levert commentaar, poneert wijsheden. Hij schrijft Aizaak het inzicht toe dat de vrijheid van de reis beter te verdragen was geweest dan de pijn van de uitsluiting en dan laat hij hem het boek uitlopen, waar hij eindelijk zijn oom vindt.

Ik ben Aizaak
Lammert Voos
Illustraties door: Laurens Bontes
Verschenen: 2026
Uitgever: Thomas Rap
ISBN 9789400410855
208 pagina's
Prijs: € 22,99
Kopen bij Libris













Geef een reactie