Hoi Gerrit (Komrij)

Ze zeggen wel dat je je helden niet in het echt moet tegenkomen want dat loopt geheid op een teleurstelling uit. Dat gold niet voor Gerrit Komrij. Hij toonde zich bij de enkele keren dat ik hem ontmoette als een aardige, hoffelijke en beminnelijke man. Ik was van zijn werk gaan houden tijdens mijn studie, toen ik als opdracht een essay schreef waarin ik een parallel moest trekken tussen de dichters Komrij en Piet Paaltjens. De schrijver zelf zag ik de eerste keer tijdens een signeersessie van zijn boek Wagner en ik, waarbij we slechts een paar beleefde woorden wisselden. 

De tweede keer was op de boekenmarkt in Deventer. Ik zag hem lopen met zijn geliefde, Charles Hofman, en toen ik fluisterde: ‘Kijk, daar gaat Gerrit Komrij!’, zei mijn man: ‘Waarom ga je geen praatje met hem maken?’ Maar ik durfde niet. Ik wilde hem niet lastig vallen als een opdringerige fan bij een popconcert. Mijn destijds zesjarige dochter daarentegen had geen last van respect. Zij liep onvervaard op hem af, trok aan zijn mouw en zei: ‘Hoi Gerrit, mijn moeder wil je spreken.’ Hij liet zich gewillig door haar meetronen naar de boekenkraam waar ik van verlegenheid wel door de grond kon zakken. Hofman stond het tafereeltje op afstand geamuseerd gade te slaan.

In het gesprek dat volgde, vertelde Komrij dat hij weliswaar in Portugal woonde, maar elk jaar naar Nederland kwam om naar de Deventer Boekenmarkt te gaan. Die sloeg hij nooit over. Met zijn eigenaardig stemgeluid, alleen geëvenaard door van Drs. P. (wiens optreden eens werd afgekondigd met: ‘Deze heer die zojuist een van zijn liederen voor u gekraakt heeft’), vroeg me of ik al iets gekocht had. Ik toonde hem mijn nieuwe aanwinst, een verzamelbundeltje ‘nonsensica’ uit 1961, samengesteld door Cees Buddingh’ onder de titel Het gevleugelde hobbelpaard. Komrij bladerde het met belangstelling door en zei toen peinzend, als tegen zichzelf: ‘Kijk, dat zou ik nou óók gekocht hebben.’

Waarom heb ik het hem toen niet cadeau gedaan, vraag ik me nog steeds af. Dat zou een aardig gebaar zijn geweest tegenover de man wiens boeken me zoveel moois gebracht hadden. Maar ik was te overdonderd door zijn aanwezigheid om daarbij stil te staan. Ik heb er nog altijd spijt van. Daarom haal ik sindsdien elk jaar op 30 maart, zijn verjaardag, het boekje tevoorschijn en lees er voor hem een gedicht uit voor. Dit jaar een van die andere dichter:

Zoals ik eenmaal beminde,
Zo minde er op aarde nooit een.
Maar ‘k vond, tot wie ik mij wendde,
Slechts harten van ijs en steen. 

Toen stierf mijn geloof van vriendschap,
Mijn hoop en mijn liefde verdween.
En, zoals mijn hart toen haatte,
Zo haatte er op aarde nooit een. 

En sombere, bittere liedren
Zijn aan mijn lippen ontgleên.
Zo somber en bitter als ik zong,
Zo zong er op aarde nooit een. 

Verveeld heeft mij eindelijk dat haten,
Dat eeuwig gezang en geween.
Ik zweeg, en zoals ik nu zwijg,
Zo zweeg er op aarde nooit een.

Piet Paaltjens

 

 


Hettie Marzak is poëzierecensent, zij schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

Om Literair Nederland draaiende te houden, zijn wij afhankelijk van vrijwillige bijdragen. U kunt ons steunen via de rode knop. Waarvoor onze hartelijke dank!

Meer van Hettie Marzak: