Christa Wolf – Stad der engelen

Zwanenzang begeleid door een engel

Recensie door Albert Hogeweij

Het overlijden van Christa Wolf op 1 december vorig jaar maakte haar laatste boek Stad der engelen of The Overcoat of Dr. Freud, waarvan de Nederlandse vertaling slechts luttele weken voor haar sterfdag verscheen, tot haar zwanenzang. Met haar verdween een literaire icoon uit de voormalige DDR, een staat die zij ruim 22 jaar overleefde, zij het niet van harte volgens sommige Duitsers die meenden dat ze met te weinig wrok omzag naar de volksdemocratische dictatuur van weleer. De schrijfster presteerde het zo in ieder geval in beide Duitslanden voor controversieel door te gaan, al dienden de controverses in het verdeelde Duitsland en die van na de Duitse hereniging haar reputatie niet in gelijke mate. In hoeverre is haar literaire reputatie gediend met Stad der engelen?

De cover spreekt van een ‘roman’, maar is het dat wel? We volgen 375 bladzijden lang de wederwaardigheden van een naamloze ik-figuur die een beroemde Duitse schrijfster is van wie verteld wordt dat ze Kassandra heeft geschreven en die eind 1992 een uitnodiging voor een studieverblijf in Los Angeles aanneemt, zogenaamd om studie te doen naar een zeker L., met wie haar vriendin Emma een briefwisseling onderhield, maar in werkelijkheid om in haar eigen leven orde op zaken te kunnen stellen. Want dat laatste is hard nodig in haar staat van emotionele ontreddering sinds gebleken is, vlak voor haar vertrek, dat haar bewustzijn danig te kort geschoten is. Wat was het geval? Nadat de Stasi-archieven opengingen, bleek dat de beroemde schrijfster – we hebben het natuurlijk over Christa Wolf – niet alleen zelf duchtig van alle kanten bespioneerd bleek te zijn, maar bleek ook – hoe pijnlijk – dat ze tussen 1959 en 1962 zelf een klein dossiertje over collega’s bij elkaar had gesprokkeld voor de Geheime Dienst. Haar Täterakte. Ze was zelf stomverbaasd toen ze de documenten onder ogen kreeg in het archief. Hoe had uitgerekend zij dit kunnen vergeten? ‘Het gaat om herinnering, dat is al heel lang mijn onderwerp. En dat had ik kunnen vergeten’. Verdrongen? Ze moet er in ieder geval mee in het reine komen, want Christa Wolf hield er niet alleen een hoge morele standaard op na, maar in haar oeuvre laat ze de waarheidsgetrouwe herinnering onlosmakelijk met authenticiteit verbonden zijn; het vormde zo het enige houvast voor het individu om zich staande te houden tegen het verdrukkende collectief. En ze had nota bene zelf in Wat blijft ampel beschreven op welke wijze de Stasi haar in de gaten had gehouden. Maar over haar eigen figurantenrolletje in het kamp van de vijand, die blinde vlek, had ze het nooit gehad. Haar geheugen heeft steken laten vallen. Daarvoor kan niet meer worden ingestaan. Wellicht dat uit voorzorg ‘roman’ op het boek is gezet.

Zo gauw als de media er lucht van zouden krijgen, was hoon haar deel en om zich daaraan in deze ontredderde staat niet bloot te hoeven stellen, kwam de uitnodiging van het Getty Center in Santa Monica in Los Angeles als een geschenk uit de hemel. Tegen de tijd dat Wolfs daderdossier hét onderwerp van gesprek is in haar vaderland, zit Wolf aan de Amerikaanse Westkust in een schrijvershuis en tracht ze zichzelf weer in het gareel te krijgen. Door de vele gesprekken met de andere gasten, maar ook door het lezen van de dagboeken van o.a. Thomas Mann, Heinrich Mann en Bertholt Brecht, de Duitse Exilschrijvers die destijds, opgejaagd door de Nazicultuur in eigen land, in het ‘Weimar onder de palmen’ hun toevlucht zochten. Niet zozeer om zich met hun politieke positie te vergelijken, maar vooral hoe zij hun authenticiteit bewaakten, hoe zij zich ontheemd en wel overeind hielden.

Er passeren zo nogal wat bekende en minder bekende schrijversnamen in dit boek en dat niet alleen. Er wordt veel over en weer gediscussieerd tussen de intellectuele medebewoners van het schrijvershuis. Daarbij lopen er ook nog eens drie tijdlagen door het boek. Het heden van het schrijfmoment zelf waarin de ik zich af en toe een opmerking over de bankencrisis, terrorismedreiging en Irakoorlog veroorlooft, maar waarin vooral voortgeborduurd wordt op de gedurende haar verblijf, eind 1992/begin 1993, in LA gemaakte aantekeningen die als vliegwiel fungeren voor de verdere overpeinzingen aangaande haar verblijf aldaar en het geleverde gevecht met zichzelf en ten slotte de mede daardoor losgeweekte herinneringen: van haar vroegste jeugd, haar vlucht voor de Russen in 1945 van Polen naar Duitsland, haar studietijd tot aan haar schrijversloopbaan in de DDR en de val van de muur toe, die alle in de jij-vorm zijn geschreven. Alsof de ik zich door het falen van haar geheugen afgesneden voelt van de ikken uit haar herinnering. Als zou door die stoet van herinneringen de revue te laten passeren haar geheugen weer geijkt kunnen worden. Een echte lijn in het verhaal is moeilijk te ontwaren. Al groeit het boek meer en meer in zijn los-vaste vorm vanaf het moment dat de ik-figuur in haar relaas eindelijk aan haar ontdekking van haar eigen daderdossier toe is. Dat is op pagina 167. Daarvóór heeft ze meer oog gehad voor het schrijvershuis en haar collega’s. Maar als dat eenmaal is verkend is het de hoogste tijd voor de Overcoat van Dr. Freud. Aanvankelijk zou ze zich daaronder nog willen verschuilen, maar ze begrijpt dat die jas helemaal binnenste buiten moet worden gekeerd opdat de blinde vlek zich in zijn naaktheid zal tonen. Ook het fenomeen van de herinnering komt op de snijtafel te liggen. ‘Het is immers niet alleen dat ik veel ben vergeten. Veel bedenkelijker is misschien nog wel dat ik er niet zeker van ben wie degene is die zich herinnert.’ Ergens halverwege vraagt ze zich af: ‘Hoe moet ik voorkomen dat ik gedwongen word mezelf te rechtvaardigen, de domste van alle mogelijke houdingen. Maar bestaat er voor dit geval wel een mogelijke, een juiste, een gepaste houding. Of verval ik weer in de fout te vragen naar wat de anderen willen?’ Ze wendt zich in haar nood volop tot haar omgeving: zo wordt een psycholoog uit Zürich geconsulteerd die met Freud kan verklaren dat er niets menselijkers is dan verdringing en dat zonder vergeten niet te leven valt. Ook door anderen laat ze haar geweten sussen. En hoe ging Thomas Mann om met zijn geheim van de erotische liefde? Mann noteerde in zijn dagboek in 1949 over dat geheim: ‘Over dit alles belijdend schrijven zou desastreus voor mij zijn.’ Wolf is bereid verder te gaan en ‘de onvermijdelijke pijn niet [te] vrezen’. De blik keert zich meer naar binnen en de toon wordt analyserender, maar tegelijk ook losser en persoonlijker. De verschillende stukken lijken steeds soepeler aan elkaar geregen te worden.

Maar de echte redding komt ten slotte van een engel! En daarmee zit er toch een fantastisch element in het verhaal dat het etiket ‘roman’ rechtvaardigt, want in de loop van het verhaal eigent de ik zich een beschermengel toe, Angelina, die gemodelleerd is naar de zwarte schoonmaakster in het schrijvershuis in Santa Monica, die de ik-persoon al eerder was opgevallen omdat ze ‘echt zwart’ was. Deze Angelina is broodnuchter en daarmee de ideale leidsvrouw voor een toch wat ernstige hoofdpersoon die voordat ze socialist werd ook nog haar geweten stijfde als belijdend lid van de protestante kerk. Eerder heeft de ik al steun gevonden bij de Duitse Barokdichter, Paul Fleming, die haar leerde dat het eigen lot alleen te dragen valt zolang je trouw blijft aan jezelf. Wil met de reddende engel ook de reddende kracht van de verbeelding benadrukt zijn? De engel leert haar in ieder geval vliegen en zo vliegt de ik het verhaal uit. Van een verhaal dat 375 pagina’s eerder inzette met de zin ‘Uit de hemel vallen, dat was de zin die me te binnen schoot, toen ik in LA landde’, kan men wellicht zeggen: eind goed, al goed.

‘Moet ik nu niet in een hele grote boog vliegen? zei ik. Terug naar het begin?
Doe maar, zei ze onaangedaan.
En jaren werk? Gewoon weggooien?
Waarom niet?
De ouderdom, Angelina, de ouderdom verbiedt dat.
Angelina had geen idee wat ouderdom was. Zij had alle tijd van de wereld. Ze wilde haar lichtzinnigheid aan mij overdragen. Ze wilde dat ik van deze vlucht genoot. (…)
Ze leek tevreden, zwijgend vloog ze verder, mij hield ze aan haar zijde.
Waar gaan we heen?
Dat weet ik niet.’

Een bevredigend einde van een soms wat moeizaam lezend boek. Lange, aftastende zinnen. Wie voor oneliners gaat is bij Wolf aan het verkeerde adres. Nergens een rustpunt in het verhaal. De lezer zit even opgesloten in het verhaal als de ik. En passant worden ook politieke issues aangeroerd: de oorlog in Irak, de rassenrellen in LA uit begin jaren ’90. De westerse onvrijheden uit de McCarthy-tijd worden – typisch Christa Wolf – met de onvrijheden van achter het IJzeren Gordijn vergeleken. Van een zeker moralisme valt Wolf nooit helemaal vrij te pleiten: Black is beautiful en op een bankje in Ocean Park zit het zoveel aangenamer naast een Indiaan ‘een van de oerbewoners’ dan naast een tweetal ‘spierwitte jongemannen’ die haar meteen een ‘Mormonenbijbel’ willen opdringen. Maar de toon is niet altijd even zwaar. Wolf verstaat zeker ook de kunst af en toe af te wisselen met een losse streek, een lichte toets. Zo belandt ze in een kappersstoel en constateert: ‘het gezicht in de spiegel stond me niet aan, zoals meestal als ik gedwongen ben er lang naar te kijken’. Maar de lichte toets schiet vooral wortel in de passages waar Angelina ten tonele wordt gevoerd. Dan sluipt er zowaar iets van ironie in het verhaal: ‘in de voorstelling die ik mij als kind van mijn beschermengel had gemaakt moest Angelina sowieso gedachten kunnen lezen. Niet altijd, zei Angelina, vaak was ze daar door al het harde werken gewoon te moe voor. Maar je weet het trouwens zelf wel. Wat, vroeg ik, wat weet ik zelf wel. Ik kon het niet laten de engel een beetje onder druk te zetten, die zei dat ik toch wist dat het antwoord altijd voor het grijpen lag zodra je een vraag eenmaal kon stellen, waarom zou ik het antwoord dus uit haar moeten trekken, zij was er immers alleen voor noodgevallen, waar bleven we anders.’

Zoals de reddende engel de psychische staat van de ik vlot trekt, zo trekt ze ook de soms wat al te ernstige plooi uit het verhaal. Al met al imponeert het boek wel degelijk, al moet het even op gang komen. Met al zijn geredeneer, terugblikken en herinneringen vormt het een waardige afsluiting van een veelbewogen schrijversleven.

 

Omslag Stad der engelen - Christa Wolf
Stad der engelen
Christa Wolf
Vertaling door: Gerrit Bussink
of the Overcoat of Dr. Freud
Verschenen bij: Gennep B.V., Uitgeverij Van
ISBN: 9789461640246
375 pagina's
Prijs: € 22,50

Meer van Albert Hogeweij:

Recent

15 november 2018

Het zoeken naar de juiste context

Over 'De verzuimcoördinator' van Nicole Montagne
13 november 2018

Schuld en geluk na val van de trap

Over 'Afgelegen' van James Wood
12 november 2018

Zwanger van dood

Over 'De lange droogte' van Cynan Jones
9 november 2018

Deze roman is een fantastische reflectie op het schrijverschap

Over 'Als de schaduw die verdwijnt' van Antonio Muñoz Molina
7 november 2018

Alzheimer en andere teloorgangen

Over 'Kleine helden zijn wij' van Stijn van der Loo