Zulke verhalen

G.A. van Oorschot vroeg eens aan J.J. Voskuil wat deze vond van zijn verhaal ‘Een tragisch geval’, gepubliceerd in Tirade. Het nieuwe Dagboeken deel van Voskuil opent op ‘vrijdag 1 october,’ 1965 met onder andere een brief aan Van Oorschot waarin hij schrijft het een verhaal van niks te vinden. En: ‘Ik vind dat zulke verhalen niet geschreven zouden moeten worden. (…) Dat stuk over die buren en muziekleraar heeft geen functie. Je zou dat moeten schrappen. Maar dan nog. Ik begrijp niet wat je bezielt als je zo iets opschrijft.’ Hij vindt dat Van Oorschot zijn personages emoties toeschrijft die niet kunnen, omdat ‘jij niet [kunt] weten wat er in die mensen omgaat’. Hij denkt dat Van Oorschot wel de ‘pest in’ zal hebben over zijn kritiek. ‘Je schrijft je vrienden liever dat je enthousiast bent, omdat vrienden nu eenmaal aardige mensen zijn, ook als ze de krankzinnigste dingen in hun hoofd halen.’ Hij besluit met: ‘Houd het daar dan maar op, vriend.’ 

Er is een verhaal van  Frida Vogels uit 1967 dat onlangs voor het eerst in druk verscheen. Een verhaal dat in de zomer van 1965 zijn oorsprong vond, toen Vogels met haar man in een klein gehucht, Venola, dat op vijfentwintig kilometer van Bologna ligt, de zomermaanden doorbracht. Ze verbleven in een boerderij waar een paardenstal was omgebouwd tot zitkamer, ‘geriefelijk ingericht met uit Ennio’s geboortehuis in Zuid-Italië afkomstige meubelen.’ Het verhaal van Vincenzo gaat over hun buurman, Vincenzo, ‘een man uit één stuk, sterk en intelligent’. Vogels schrijft: ‘Niet lang voor hij ziek werd en stierf zag ik hem in de schuur naast zijn huis bezig een grote boomstronk doormidden te hakken. Hij sloeg op die stronk met alle kracht die hij bezat, maar slaagde er niet in hem te splijten, en ik schaamde me hem zo bezig te zien en liep weg.’  Dit zou Voskuil ‘mieters’ hebben gevonden. Vogels en Voskuil spraken in termen van ‘mieters’ of ‘schofterig’ met elkaar. 

De brief aan Van Oorschot zoals hierboven weergegeven, heeft Voskuil niet verstuurd. Het verhaal van Vincenzo werd niet gepubliceerd. Tot deze herfst, toen verscheen het bij Hof van Jan een collectief van margedrukkers. Het boekje telt zeseneenhalve pagina tekst, met de kenmerkende illustraties van Paul van der Steen. Vincenzo was stationschef in Marzabotto en woonde met zijn gezin op de bovenverdieping van het station. Op een dag vond hij een broodmager zwerfhondje. Het was een lief hondje, maar had een vreemde gewoonte: ‘het deed niets liever dan over de treinrails lopen’. Vincenzo kreeg daar de zenuwen van. Hij wilde het de hond in een keer afleren. ‘Hij pakte het hondje beet, bond het op een biels tussen de rails stevig vast en waarschuwde de machinist van de eerstvolgende trein. Bij aankomst in Marzabotto reed die trein over het hondje heen. Toen de trein weer weg was, maakte Vincenzo zijn hondje los. Het rende hevig jankend weg en waagde zich nooit meer in de buurt van de rails.’ Vogels schrijft zonder een oordeel te geven (dat zijn de beste schrijvers). De opbrengst van deze uitgave, 17 euro, komt geheel ten goede –zo belooft het drukkerscollectief – aan de vierennegentigjarige schrijfster. En dat is mooi.

 

 


Inge Meijer is een pseudoniem.

 

Om Literair Nederland draaiende te houden, zijn wij afhankelijk van vrijwillige bijdragen. U kunt ons steunen via de rode knop. Waarvoor onze hartelijke dank!

Meer van Inge Meijer: