Zonder achternaam

Vannacht kon ik niet slapen, ging uit bed. Door het badkamerraam keek ik naar buiten, naar de nevel, het diffuse licht rond de lantaarnpaal voor het huis, de stilte. Liep de gang door, duwde de deur van de kamer open die de kamer van mijn jongste dochter was, nu mijn werkkamer is. Over de tafel de rol pakpapier, om meters weg te kunnen schrijven. Daarnaast mijn broer, met witte baard, tandeloze mond, onbedaarlijk lachend, een kadetje in zijn hand. Ik zet de foto recht. Nu ik hem zie verbaast het me weer dat niemand wist hoe hij heette. In de vensterbank ligt een stapeltje boeken, er staat een gemakkelijke stoel. Ik pak het boek van William Faulkner, Toevlucht. Vanaf de eerste zin vraag ik me af wat ik aan het lezen ben: ‘Van achter het scherm van struiken dat de bron omringde, keek Popeye hoe de man dronk. Van de weg naar de bron liep een vaag pad. Popeye keek hoe de man – een lange, magere man, zonder hoed, met een versleten grijze flanellen broek aan en een tweedjasje over zijn arm – het pad afkwam en knielde om uit de bron te drinken.’ Faulkner schreef niet eenvoudig, ik zal er doorheen zien te komen.

Het is de jaren dertig in zuid-Amerika, rond Memphis. Popeye drijft een illegale drankstokerij, eeuwig een sigaret in zijn mond. De stokerij zit in een plantershuis van voor de Burgeroorlog. Er wordt een baby in een kist achter het fornuis verborgen, zodat de ratten er niet bij kunnen. De moeder Ruby, kookt voor de mannen die er werken. Er is Tommy, een simpele geest, die steeds ‘besmuikt glimlacht’, vaak hurkt tegen een muur. Er is een oude blinde man, ‘die daar maar aan tafel zit te wachten tot iemand hem voerde.’ Er lopen twee louche figuren rond die de drank verhandelen. Er komt een jongen met zijn zeventienjarig vriendin langs. Hij wil drank kopen. De auto waarmee ze aankomen, weigert bij vertrek. De louche figuren azen op het meisje. De jongen bedrinkt zich steeds. Het meisje weet zich geen raad. Tommy ziet haar angst, zorgt dat ze zich kan verbergen. Ik blijf lezen, (aan de andere kant van de muur kraakt het bed). De jongen gaat, nadat ie in elkaar geslagen is, er vandoor. Het meisje achterlatend in de handen van Popeye.

Op bladzijde achtennegentig verzamelen zich boeren en jongemannen voor de deur van een begrafenisondernemer, ‘om naar de man te kijken die Tommy heette.’ Ik had het niet zien aankomen, Tommy als lijk op een houten tafel, ‘de zongebleekte krullen op zijn achterhoofd verkleefd door geronnen bloed en geschroeid door kruit, terwijl de lijkschouwer over hem heen gebogen zat en zich van zijn achternaam probeerde te vergewissen. Maar niemand wist die, zelfs niet degenen die hem al vijftien jaar kenden van het platteland of de winkeliers die hem af en toe op zaterdag in de stad hadden gezien, blootsvoets, zonder hoed, met zijn verrukte lege blik en zijn onnozel over een pepermuntbal bollende wangen. Niemand wist beter of hij had er geen.’ Ach, wat een verschrikkelijk boek! Tommie, de enige goede ziel in dit boek, dood! Ik sla het dicht, denk aan alle Tommie’s zonder achternaam. Of ik slapen kon.

 

 


Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV, leest boeken helemaal uit.

 

 

 

 

Meer van Inge Meijer: