27 oktober 2014

Zo lang als voor altijd is (Het leven van Dylan Thomas 1914 – 1953) – Karel Wasch

Overgeleverd aan de genade van woorden

Recensie door Albert Hogeweij

Honderd jaar geleden kwam dichter en schrijver Dylan Thomas (1914-1953) ter wereld en stierf, na een turbulent leven op zijn negenendertigste. De man die in zijn korte leven bewees niet met geld, drank en vrouwen om te kunnen gaan bleek een gewild doelwit voor biografen. Tientallen, veelal Engelstalige biografieën later doet Karel Wasch een Nederlandse duit in het zakje met Zo lang als voor altijd is. Vanaf dat Wash gegrepen werd door een langspeelplaat met een bezwerende voordracht van Dylan Thomas, heeft hij nieuwsgierigheid opgevat naar de ‘mens die bij de stem hoorde’. Hij wilde een antwoord vinden op de vraag hoe het kan dat deze, behoorlijk obscure dichter zo’n ongekend populaire status wist te verwerven. Wasch’ zoektocht naar de mens achter het Welshe dichtersfenomeen kreeg al eerder, in 1998, zijn neerslag in boekvorm.

Het biografische portret dat hij in Zo lang als voor altijd is schetst, is uitgebreider en meer  up to date. Zo lezen we dat niemand minder dan Hell’s Angel, Sam Klepper in 2000 het beroemde Thomas gedicht Do not go gentle into that good night, op zijn rouwkaart had laten drukken. Dat vormt onder meer de charme van deze biografie, die aan de reeks bekende feiten enkele nieuwe toevoegt. Naast dat hij de archieven is ingedoken, is hij ook op pad gegaan om de plekken, waar de bard heeft huisgehouden, met eigen ogen te aanschouwen en de mensen, die hem nog gekend hebben, te spreken. Hoewel Zo lang als voor altijd is vooral over de mens Dylan Thomas gaat, wordt ook zijn literaire loopbaan beschreven en zijn er enkele gedichten in opgenomen.

Thomas’ vader doceerde Engels en schreef zelf gedichten. Enkele van zijn (oud)ooms declameerden vanaf de kansel. Ontzag voor de magie van het woord ontstond bij hem al op jonge leeftijd. Die fascinatie voor de betoverende, bedwelmende, magische betekenis van woorden heeft hem nooit meer verlaten. De liefde voor het woord was een ‘liefde op het eerste gezicht’ en het was dan ook uit liefde dat hij zich overleverde ‘aan de genade van woorden’. Als ‘freak user of words’, zoals hij zichzelf omschreef, koos hij woorden meer op klank dan op betekenis. Wasch ziet hierin parallellen met het Russisch Formalisme, waarin ook het primaat bij het woord werd gelegd.

In korte hoofdstukken loodst de biograaf ons door het leven van zijn onderwerp. Op een derde van het boek, dat helaas een inhoudsopgave ontbeert, boekt Thomas zijn eerste successen. Op zijn negentiende trekt hij de aandacht van gezaghebbende literatoren met zijn gedicht And Death shall have no dominion. Weldra gaan er deuren voor hem open en raakt zijn leven in een stroomversnelling. Financieel maakt het hem allerminst wijzer. Zijn beruchte drankgelagen vormen daarbij een grote schuldenlast. In die toestand komt geen verbetering als hij zijn echtgenote, Caitlin Macnamara, ontmoet. In drinken doet zij weinig voor hem onder. Zonder hun geldschieters is het moeilijk voor te stellen hoe ze het overleefd zouden hebben. Intussen blijft Thomas eenling in de dichtkunst. Aansluiting bij een stroming of groep zoekt hij niet, al ademt zijn werk invloeden van het surrealisme en modern symbolisme, met zijn fixatie op Natuur, Dood en Leven. Voor poëzie die dergelijke grote onderwerpen niet schuwt, had Thomas de aangewezen stem om voor te dragen. Met zijn stem raken een grote schare luisteraars vertrouwd als hij in 1946 voor  de BBC een wekelijkse radiorubriek over gedichten gaat verzorgen.

Als Thomas met zijn bundel Deaths and Entrances uit datzelfde jaar zijn status als groot dichter definitief vestigt, heeft de biografie nog een derde te gaan. Dat het einde zich reeds aftekent proeft men aan een zinnetje als: ‘Dylan had inmiddels een verzwakt gestel door alle drank en was veel te dik (…) en de ruzies met Caitlin namen surrealistische vormen aan’. Hoewel Thomas naast lof ook kritiek oogst vanwege zijn hevig overspannen beeldentaal van nieuwkomers als Amis en Larkin, rijst zijn ster nog steeds. Met de populariteit wordt er veel aan de dichter getrokken en Wasch toont aan dat de dichter te weinig ruggengraat bezat om zich overeind te houden. Begin jaren vijftig start de eerste van vier voorleessessies in de Verenigde Staten die hem succes en rijkdom beloofden. In een kort tijdsbestek draait hij een druk programma af waarbij hij van hot naar her moet vliegen. Hij legt er contacten met beroemdheden als Chaplin en Stravinsky, maar de voorleessessies met hun after parties, eisen een zware tol. Toch kan Thomas geen ‘nee’ zeggen tegen een volgende tournee. Hij is verslaafd aan het succes en doet er alles aan om het beeld van de drankzuchtige, gedoemde dichter uit te dragen. Intussen schrijft hij naar aanleiding van zijn stervende vader in 1952 zijn ongetwijfeld beroemdste en veelvuldig becommentarieerde gedicht Do not go gentle into that good night. Een ander hoogtepunt levert hij in zijn laatste levensmaanden af: Under Milk Wood. Een stemmenspel dat in Nederland in een vertaling van Hugo Claus een groot toneelsucces wordt. Maar dat maakt Thomas niet meer mee. Zijn vierde Amerikaanse tournee wordt zijn Waterloo. Na flink wat drank achterover te hebben geslagen in een New Yorkse bar, stort hij de volgende dag in. Een ingeschakelde arts stelt een overhaaste diagnose en dient morfine toe. Dylan Thomas belandt in een coma en sterft uiteindelijk op 9 november 1953.

Hoewel de lezer het leven van Thomas, dat als een aaneenschakeling van anekdotes leest, chronologisch voorgeschoteld krijgt, kan hij soms het spoor bijster raken. In dat leven is het een komen en gaan van mensen, inzonderheid vrouwen, waardoor de biografie menig zijpad inslaat. De terugkeer van de ene vrouw wordt gevierd met de ontmoeting van de andere om met een derde tussendoor nog de koffer in te duiken. De biografie is met zijn 172 pagina’s wat aan de korte kant maar op smeuïge details is niet bezuinigd. Zo lezen we dat zijn aanstaande echtgenote goed was in tapdancing, maar: ‘haar benen hoog opgooien lag haar minder’. De biograaf is op dreef als hij dergelijke details quasi neutraal in stelling brengt.

‘Aan de ene kant schreef [Thomas] ingewikkelde brieven over de louterende werking van poëzie, maar aan de andere kant deed hij een konijn na in een pub, werd eruit gegooid, maar had de smaak van zijn imitatie zo te pakken dat hij in een lantaarnpaal beet, waardoor een van zijn voortanden afbrak.’

Uitzoeken welke lantaarnpaal dat nu precies was doet Wasch niet, maar aan factchecken des te meer. Zo concludeert hij dat de herinnering van Caitlin, dat haar man in 1946 Guinness van de tap zou hebben gedronken, onmogelijk kan kloppen: Guinness werd eerst in 1960 van de tap gedronken. Wat echter wel klopt, is dat de titel Under Milk Wood inderdaad ontleend is aan een zeker condoommerk. Intussen schuwt deze biografie het paradoxale in Thomas’ leven niet. Waar deze dichter zichzelf afficheerde als de ‘Rimbaud van Cwmdonkin Drive’, blijkt dat deze zelfverklaarde rebelse poëet in wezen een puritein was, behept met bijgeloof en vrees voor wat de buren ervan mochten denken. Waar zijn echtgenote – afkomstig uit een artistiek nest en een bohémienne pur sang! – met serviesgoed smeet in dronken buien of zich in de gordijnen wikkelde bij wijze van deken, koesterde Thomas heimelijk het burgerlijke genoegen van gepoetste schoenen en een schoon geboende rug. Naar buiten cultiveerde hij het beeld van de rebelse dichter, die met een slok op voorging in het beledigen van zijn gezelschap. Maar thuis kon hij in afzondering en zonder drank urenlang op zijn gedichten zwoegen, waarbij hij soms niet verder kwam dan het toevoegen van een enkel woord of het schrappen ervan.

Wasch heeft onmiskenbaar een zekere band met zijn onderwerp. Behalve dat hij in het voetspoor van Thomas door Wales is getrokken, lijken de over hem verschenen publicaties niet aan zijn aandacht ontsnapt. Niettemin neemt hij genoeg distantie in acht om de minder fraaie kanten van Thomas over het voetlicht te brengen. Naast dat van een begaafde dichter rijst ook het beeld van een vrijbuiterende, drankzuchtige, stelende en door en door egocentrische klaploper die er geen been inziet opgestreken voorschotten te verbrassen terwijl de onbetaalde rekeningen zich aan het thuisfront ophopen. Wasch hanteert het soort onderkoelde toon waarin de afrekening slechts impliciet doorklinkt. Als Thomas aan de vooravond van zijn huwelijk even in het vaarwater van een andere vrouw dreigt te belanden, leest men bijvoorbeeld: ‘Dylan had haar alvast maar beloofd dat hij met haar zou trouwen en niet vermeld dat hij innig van Caitlin was gaan houden.’ Met de vermelding wat Thomas zelf verzweeg, krijgt de dichter onmiskenbaar een veeg uit de pan.

Rest nog de vraag waarom deze bard met zijn vileine kanten zo populair was, en nog steeds is? Daarop geeft deze biografie uiteindelijk geen expliciet antwoord, maar het geschetste beeld moge voor zich spreken: Thomas beantwoordt perfect aan de mythe van ‘De Kunstenaar’ met inbegrip van zijn voortijdig overlijden. Een explosief vat van seks, drank & poëzie. Verzen die weliswaar niet altijd even duidelijk zijn, maar met universele thema’s als Dood, Vergankelijkheid en de onbegrijpelijkheid van het menselijke bestaan, wordt daar niet zo’n punt van gemaakt. Daarbij gaf hij niet af op het gewone volk, voelde zich in een pub meer thuis dan op een campus, bleef hij ondanks zijn succes permanent armlastig en stierf jong genoeg om een leven lang kwajongen te zijn geweest.

Wie in kort bestek iets over deze interessante dichter wil opsteken, kan uitstekend bij Wasch terecht. Deze biografie compileert niet alleen feiten uit reeds bestaande levensschetsen maar doet ook zelf ontdekkingen en vult genoeg hiaten op om een plaatsje op te eisen in de literatuurlijst van de (ongetwijfeld) vele biografieën die nog zullen volgen. Dat hij hier en daar ook lijntjes trekt naar de vaderlandse literatuur, van Carry van Bruggen tot Ilja Leonard Pfeijffer, maakt deze biografie voor de Nederlandse lezer des te aantrekkelijker.

Zo lang als voor altijd is,
Het leven van Dylan Thomas (1914-1953)

Karel Wasch
Blz.: 172
Prijs: €19,95
Uitgeverij Prominent

 

 

Recent

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

16 september 2017

Een week lang feest

15 september 2017

Een wonderlijk leerdicht 

14 september 2017

Daar waar granaten fluiten

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer