Het was druk en benauwd in het zwembad. De hoofden van de zwemmers dreven op het water als gehaktballen in de soep. Maar het grootste gedeelte van de bezoekers was verdeeld over de hoeken van het zwembad, waar ze in kleine groepjes met elkaar stonden te kletsen. Het water kwam niet hoger dan hun heupen, want hun haar wilden ze droog houden. Ze leken op een groep zeehonden, die dikke oude vrouwen, in zwarte en donkerblauwe badpakken  – donkere kleuren kleden slank af – zeehonden die de hele dag lang op het strand of op de rotsen bij de zee liggen, lui en langzaam bewegend terwijl ze af en toe naar elkaar snorkten. Toen kwam er een jonge vrouw binnen, een mooie, elegante vrouw in een vlammend rode bikini die uit niet meer dan drie lapjes bestond om de strategische punten van haar lichaam te bedekken. Ze stond aarzelend aan de rand van het bad, keek rond.

Alsof het zwembad veranderd was in een bijenkorf, zo begon het ineens te gonzen. Hoofden werden gedraaid in de richting van de indringster in rood, het fluisterend geroddel was bijna verstaanbaar. Het meisje werd net zo rood als het onderwerp van de verontwaardiging  van de vrouwen, ze kon alleen maar ontsnappen aan hun commentaar door een elegante duik in het water te nemen. Het duurde niet lang voor ze uit het water kwam en verdween in een van de kleine hokjes om zich om te kleden. Het verontwaardigde geroezemoes hield nog even aan, maar de overwinning was behaald, het geroddel stierf weg.

‘Vleugelslag

Zwemmen moet je leren. Het vaste omzetten in vloeibaar.
Veren op de steunzool van het water. Liggen op het water.
Zwemmen is loslaten, drijven, meegaan met de stroom.

Maar wat is vliegen? Vliegen is dit alles niet.
Vliegen valt niet te leren. Je kunt het of
je kunt het niet. Alle vrouwen kunnen het.
Ze zijn het soms vergeten. Vliegen is de weidse
bandeloosheid van verlangen, loskomen op eigen kracht.

Geen makke schoolslag maar een vlindervlucht:
het overwinnen van je zware zelf en opstijgen,
klapwiekend, wervelend, de lucht doorklievend.
De vleugelslag van vrouwen is verraderlijk. Mooi.’

De week daarop, toen alle zeehonden weer verzameld waren, verscheen de jonge vrouw weer. Deze keer droeg ze een donkerblauw badpak dat haar prachtige lichaam van de hals tot haar billen omsloot. De matrones mompelden goedkeurend, glimlachten en knikten toen ze hen voorbij zwom. De orde was hersteld, ze hadden overwonnen en konden het zich veroorloven vriendelijk te zijn. Ze was nu een van hen.
Het begon al te schemeren toen ik mijn zwarte zeehondenvacht afstroopte en weer mens werd. Maar dat voelde niet als iets om trots op te zijn.

 

‘Vleugelslag’ uit: Het onverborgene / Lut de Block / Arbeiderspers


Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.