24 december 2008

Welkom – Willem Jan Otten

Eilandpoëzie

Na de bundels Eindaugustuswind en Op de hoge lijkt schrijver, dichter en essayist Willem Jan Otten in zijn nieuwe poëziebundel Welkom nog steeds niet te hebben gevonden wat hij zoekt. En dat hoeft ook niet, zo liet hij Vrij Nederland enkele jaren geleden weten, want: “Wie gevonden heeft, heeft slecht gezocht”. Maar toch is er een vorm van berusting: zijn gedichten zijn helderder en lichter van toon. Bovendien stelt Otten zijn vragen in deze bundel niet meer via omwegen maar rechtstreeks aan God. Het is of Otten je nu pas welkom durft te heten in zijn nieuwe denkwereld, die hij in de tijd rond zijn bekering in 1999 heeft leren kennen. Maar Otten is nog lang niet uitgedacht. Zijn bundel bestaat uit associatieve overdenkingen over afwisselende onderwerpen in gevarieerde stijl.

Dat dit wederom een echte Otten is, lezen we direct in de eerste regel van het openingsgedicht van de eerste reeks gedichten met de titel ‘Ochtenden’: “Hoe kon ik, strekking, weten dat ik deze zin zou zijn”. Het woord ‘strekking’ kwamen we ook al tegen in het gedicht ‘Eindaugustuswind’ uit de gelijknamige bundel. Toen was de strekking het raadsel en nu de dorst; in beide gedichten gaat het om het gemis, maar er is iets duidelijk geworden: wát er gemist wordt. En als we verder lezen in de eerste reeks komen we meer van deze herkenbare Ottentaal tegen. Bijvoorbeeld bij de metaforen van een sneeuwvlok, wak en eiland (lees: Vlieland) en zinnen zoals “wat je wees dat was je zelf” of “laat allebei je fijn / besluitloze vleugels / los” uit het tweedelige gedicht ‘Via Negativa’. Of bij prachtige, zelf geconstrueerde samenstellingen in het gedicht ‘Kattenluik’: ‘kattenluikzwak’ en ‘beginzindun’. Tenslotte zien we ook duidelijk Ottens hand in het anekdotische gedicht over een man die een stok werpt voor zijn denkbeeldige hond Vidocq.

Hij komt me tegemoet want nam
het bospad andersom en losjes
zwaait hij met zijn riem en roept
met onbetwist gezag
Vidocq,

of werpt een stok die hij dan volgt
met scherpe blik. Eén ding aan hem
is vreemd, althans zo menen sommigen
van ons: hij heeft geen hond.

Een sprookjesachtig gedicht: je leest wat er niet is. En op deze manier slaagt Otten erin om zijn existentiële boodschap tot in het diepst van zijn poëzie over te brengen: de zoektocht naar het onmisbare, dat niet aanwezig hoeft te zijn om aan te nemen dat het er is.

In de tweede reeks ‘Levenswerk’ zijn een aantal algemene gedichten samengepakt. Hierin wordt bijvoorbeeld een ode gegeven aan de linkerhand: de grote afwezige totdat de rechterhand uitvalt. Het gedicht is luchtig van toon, humoristisch ook:

Nooit heb je terdege neus
gepeuterd, nooit mijn rivaal
de hand gedrukt, de bal geworpen
naar de eerst honk.

En Otten gebruikt meer sportbeelden in gedichten over tennis, voetbal en wielrennen. In het gedicht over de wielrenner Bahamontes ga je met hem mee de berg op, terwijl hij zich al zwoegend afvraagt wie hem het zetje heeft gegeven. En ook hier weer de herkenbaar queeste van Otten. Wie begon met deze zwoegtocht? Gaf hij zichzelf het eerste zetje of deed iemand anders dat? Of, zoals Otten in een interview met het Nederlands Dagblad verwoordde: “Ik zoek, omdat ik word gezocht.”

Antwoorden op deze vragen krijg je niet. Otten schrijft geen belijdenispoëzie maar denkt, peinst en overweegt. Het meest concreet is hij in de derde reeks ‘Gerichte gedichten’, waarin hij poëzie en gebed met elkaar vermengt tot een zestal persoonlijke overdenkingen. Ottens denktocht eindigt in een oase van rust. Terwijl hij in zijn eerdere bundels nog vooral de schepping ondervroeg, de doop onderzocht en zijn bekering beredeneerde, richt hij zich nu rechtstreeks tot God. Niet meer vertwijfeld op zoek naar antwoorden, maar luchtig vragend in een berustende eenvoud en verklarende helderheid. Het meest geslaagd in deze cyclus is wat mij betreft ‘Hoeveel weet ik van u’, waarin hij in een stapeling van beelden de ambiguïteit van zijn zoektocht weergeeft. Hij heeft gevonden, maar niet wat hij zocht. Hij weet zoveel van God:

“Zoveel als de peuter
die voor het eerst voor de spiegel staat
weet van de peuter
die daar voor hem staat

Zoveel als de veroordeelde
die in zijn celmuur klopsignalen hoort
weet van zijn buurman”

En na nog zes van dit soort vernuftige vondsten, concludeert hij bijna ironisch: “Ik weet van u kortom heel veel”.

Dat zijn zoektocht een einde heeft gekregen, maar niet zoals hij had gedacht, lezen we in de laatste reeks met de titel ‘Eindeligt’. In dit slotstuk van Ottens bundel, of zelfs van al zijn gepubliceerde poëzie, duikt het eilandbeeld weer op: voor Otten symbool voor een dichterlijke wereld, afgezonderd in taal en tijd. Het is stille zaterdag, de boot komt eens per jaar met Pasen. Op de boot staat de hoofdpersoon van het gedicht en hij ziet iemand op de kade wuiven. Hij wuift zelf ook. Maar wie begon met wuiven? Zie hier: weer het beeld van het begin van de zoektocht. Hij wordt in zekere zin aan het zoeken gezet, want vervolgens verkent de hoofdpersoon het eiland. Hij gaat op zoek naar het mysterie, waar hij alleen de taal van poëzie bij kan gebruiken. Het is een zoektocht waarin woorden worden gevonden, de rede wordt afgetast. Maar de rede heeft grenzen: het mysterie is niet verklaarbaar. En terwijl de hoofdpersoon zoekt, krijgt hij langzamerhand door dat er ook naar hem wordt gezocht. Aan het einde van de reeks namelijk een vergelijkbare situatie als aan het begin: nu staat de hoofdpersoon op de kade, op zoek naar degene die naar hem wuifde:

Je moest de nieuwelingen aan de reling zien
daar op de boot, eer je eindelijk begreep
hoe ongeneeslijk welkom jij hebt willen zijn,

toen jij daar wuifde, welkom als de zoon.

Wat hij niet ziet, is dat er iemand naar hem wuift vanaf de boot:

Kijk om je heen, kijk naar de boot, kijk naar de ene,
ingespannen man, die kleine daar, die wuiven wil,
en volg zijn blik, wie nu naar hem zijn beweegt

heet Eindeligt ? kijk goed, kies nu de ene op de rede uit
die wuiven gaat, nee, die, nee die, en je zult weten
wie jou heeft gewenkt… Hij wuift de nieuweling,

hij wuift naar jou verrichterzake afgewend.

Hij zoekt, terwijl hij gezocht wordt. Hij was allang welkom geheten: op het moment dat hij met Pasen aankwam. Hierin vindt Otten het einde van zijn bekeringsproces. Terwijl hij in zijn vorige bundels nog deinde op open zee, is hij nu aangekomen op het eiland en: “Eenmaal / binnen zult u niet meer weg, / tot u omhelst wat u beseft.”

Willem Jan Otten is er in deze prachtige bundel in geslaagd om zijn zoektocht in woorden te vatten. Maar hij is er nog niet en zal er ook nooit zijn. Hij blijft afwegen, zoeken naar de juiste woorden, zinnen, beelden. Dat levert mysterieuze poëzie op, die je misschien tot op het bot kan analyseren maar waarvan het mysterie immer bewaard blijft. Otten heeft met het beeld van het eiland zijn eigen poëzie omvat: het is onuitlegbaar mooi en even kwetsbaar als bereikbaar. Van harte welkom op dit prachtige eiland!

ISBN: 9789028240988

Meer van :

17 augustus 2017

Gedichten die op afstand blijven maar ook weten te ontroeren

Over 'De wereld onleesbaar' van Jeroen van Kan
11 augustus 2017

Zorgenkind of zondagskind

Over 'Herinneringen in aluminiumfolie' van Jamal Ouariachi
9 augustus 2017

Wachten op Godot aan de Moldau

Over 'Een afgedane zaak' van Patrik Ouredník

Recent

7 augustus 2017

Een kanjer

Over 'De tandeloze tijd 6 : Kwaadschiks' van A.F.Th. van der Heijden
4 augustus 2017

Wondranden

Over 'Een tuin in de winter' van Anna Enquist
2 augustus 2017

Jannie Regnerus gebruikt geen woord te veel

Over 'Nachtschrijver' van Jannie Regnerus
31 juli 2017

Het gitzwarte leven

Over 'Noordwaarts' van Naomi Rebekka Boekwijt
28 juli 2017

Het lot van een niet-joodse jood

Over 'Buster Kafka' van Martin Schouten

Verwant