Wentelen in eenzaamheid tot het hilarisch wordt

Dubbelrecensie door Albert Hogeweij

Bij uitgeverij Vleugels verschenen kort na elkaar twee novellen van de Oostenrijkse schrijver Thomas Bernhard (1931-1989) met de titels Ja (1978) en De dagschotelaars (1980). Twee opmerkelijke novellen die de overgang markeren naar het latere, rijpere werk van deze auteur waarin zijn toets lichter werd en hij  het lachwekkende van het menselijk tekort toonde. In zijn latere werk komen zijn protagonisten uit de kunst- en filosofiewereld, in de onderhavige novellen worden de hoofdpersonages volledig in beslag genomen door hun wetenschappelijke studies.

In de novelle Ja heeft de hoofdpersoon zich vastgebeten in een studie over anti-lichamen in de natuur, in De dagschotelaars stort de hoofdpersoon zich vol overgave op de fysionomie. In eerste instantie wordt de protagonist uit Ja geportretteerd als een doorsnee Bernhard-figuur: een karikaturaal getekend, overgevoelig, kluizenaarstype, opgaand in intellectuele obsessies, dwepend met de filosofie van Arthur Schopenhauer en de muziek van Robert Schumann. Alles staat voor hem in het teken van zijn wetenschappelijke studie over ‘antilichamen’, waardoor hij echter in een impasse is geraakt. Tot zover niets bijzonders voor een Bernhard-personage. Maar bij deze persoon heeft het kluizenaarschap tot een depressie geleid. Hij zoekt steun bij zijn op afstand wonende buurman en makelaar Moritz, die hij deelgenoot maakt van zijn depressie. 

Enkel mislukkelingen

Bij zijn buurman treft hij een Zwitserse klant en diens Perzische echtgenote. Met deze vrouw beleeft hij momenten van zielsverwantschap tijdens hun gezamenlijke boswandelingen – een zeldzaamheid bij deze auteur die vrouwen hooguit een ondergeschikte rol in zijn werk gunde. Deze vrouw is in gelijke mate verslingerd aan Schopenhauer en Schumann. Een krachtige vrouw die een soort dubbelganger van hem lijkt te zijn. De hoofdpersoon weet zich door dit contact opnieuw te verhouden tot zijn lievelingsfilosoof en -componist en kan zich zodoende uit zijn impasse bevrijden. 

De hoofdpersoon in Ja kan beter relativeren dan de gemiddelde Bernhard-held. Zo heeft hij zich verzoend met de gedachte dat er ‘alleen maar mislukkingen’ zijn. ‘Door tenminste de wil tot mislukken te hebben, vorderen wij en we moeten bij elke zaak en bij alles en iedereen altijd weer tenminste de wil tot mislukken hebben, willen we niet al heel vroeg te gronde gaan, wat werkelijk niet de bedoeling kan zijn van ons bestaan.’ Inhoudelijk gaat het er in deze novelle wat  menselijker aan toe, maar stilistisch is het als vanouds. Dat wil zeggen dat het verhaal zich niet lineair, plotgedreven ontvouwt maar bepaald wordt door een ‘meanderende voortgang met terugtrekkende bewegingen’,  vermoedens en duidingen van de hoofdpersoon. In hoge mate indirect verteld,  zodat de kunstmatigheid ervan wordt benadrukt. 

Uitwerking van details

Bernhard schrijft in lange zinnen die een uitgebalanceerde indruk maken, met herhalingen van eenzelfde woord alsof hij een muziekstuk componeert: ‘De Zwitser was nu eenmaal iemand die van nature zijn talent niet in zijn eentje kon ontwikkelen, anders dan mensen die de dingen alleen maar in hun eentje doen en hun talent alleen maar in hun eentje ontwikkelen en tot in de hoogste hoogten kunnen ontwikkelen. Hij was een van de mensen die uit zichzelf en dus in hun eentje niets van hun talent of van hun talenten kunnen maken, omdat hij een zwakke mens was, anders dan de sterke mensen die alleen maar in hun eentje en altijd alleen maar helemaal in hun eentje hun talenten ontwikkelen en tot in de hoogste hoogten kunnen ontwikkelen.’ 

De uitwerking van bepaalde details, tot in het absurde toe, maakt het boek bijna tot een stilistische slapstick. Zoals in deze passage waarin makelaar Moritz zijn vastgoed aan de man brengt: ‘Dat hij de Zwitsers het natte en koude en het grootste deel van de dag duistere veld als grond voor hun levensavond had verkocht, wie zou hem dat kwalijk nemen terwijl hij al zoveel jaren op een koper voor dat veld had moeten wachten en jarenlang honderd en nog veel meer belangstellenden over het kerkhof en door het bos naar dat veld had moeten meenemen, zonder succes. (…) Ondertussen had hij, Moritz, niet nagelaten de Zwitsers op alle nadelen van het veld als bouwgrond opmerkzaam te maken. Maar de Zwitsers waren niet meer af te brengen van hun besluit om het veld te kopen. Hij, Moritz, had er zelfs plezier in gehad meer gebreken en nadelen van het veld op te sommen dan het veld werkelijk bood, tevergeefs.’ 

 Vergeefs menselijk streven

Bernard laat zijn hoofdpersonen rondwentelen in hun eenzaamheid, hun ziekelijke gevoeligheid tot het absurd en komisch wordt. Hier kan gezegd worden dat het blootleggen van vergeefs menselijk streven  Bernhards hoofdthema is. Zijn personages streven naar volledige controle over hun wereld, in deze beide novellen is dat teruggebracht tot een wetenschappelijke studie, waarop de hoofdfiguren zich obsessief storten. Ze pogen een betekenisvolle relatie tussen geest en buitenwereld tot stand te brengen, zoals die ervaren werd ten tijde van de Romantiek. Ze drijven het zover door dat ze uiteindelijk de tak afzagen waar ze zelf op zitten. Ze redeneren in ellenlange monologen, maar hun taalbouwsels zijn gebaseerd op subjectieve gedachtespinsels die vergeefs in zichzelf blijven ronddraaien als een vastgelopen wiel in rul zand. En voor wie de titel Ja als teken van een bevestiging opvat, zal de ontknoping een verrassing zijn.

Variatie van hetzelfde

Wie daarna overschakelt naar de novelle De dagschotelaars waar het motto van Novalis, ‘Zur Welt suchen wir den Entwurf – dieser Entwurf sind wir selbst’, aan voorafgaat, komt in een heel ander verhaal terecht, maar met hetzelfde palet aan misantropie en pessimisme.

In De dagschotelaars (Die Billigesser) doet de verteller verslag van zijn verhouding tot de hoofdpersoon Koller. Koller heeft jaren geleden zijn been verloren door een hondenbeet. Hij ziet dit als een lotsbestemming die hem in staat stelt een ‘geestesmens’ te worden. Vastgelopen in zijn studie van de fysionomie, wijkt hij op zekere dag af van zijn vaste wandelroute in het Wertheimsteinpark. Door het afwijken van zijn route komt er een herinnering aan de dagschotelaars (heren die principieel de dagschotel kiezen) bij hem op en ziet hij de mogelijkheid het ontbrekende stuk in zijn wetenschappelijke studie met deze dagschotelaars te vullen. Hij behoorde zelf jarenlang tot deze groep die zelfs de aanleiding is geweest dat hij zich in de fysionomie is gaan verdiepen. Wanneer Koller thuis de reeds in zijn hoofd geformuleerde zinnen van het ontbrekende hoofdstuk wil opschrijven, slaat het noodlot toe.

Autobiografische elementen

Bernhard heeft ook in deze novellen enkele autobiografische elementen verwerkt. Zo heeft hij  jarenlang een makelaar als buurman gehad. Ook stuit men in zijn werk op gecamoufleerde zelftyperingen van de auteur. In de volgende typering van Koller wordt wellicht ook zijn geestelijke vader geschetst, met zijn  ‘niet direct filosofische maar toch filosoferende manier en met de hem typerende mathematische grondigheid die hij zich in de loop van de tijd had eigen gemaakt [en] waarin hij zichzelf voortdurend en werkelijk aan één stuk door en in welk verband dan ook en in alle concreetheden trainde, (…) dat alles wat door zijn hoofd leek te gaan voor hem alleen maar mathematisch ontraadseld en opgelost moest worden.’

Beide novellen geven een goed beeld van een schrijver die de kunst verstaat menselijke tragiek  komisch uit te serveren. Zonder meer een mooie kennismaking van een schrijver met een ongeëvenaarde schrijfstijl. Bernhard  wordt hiermee dertig jaar na zijn dood terecht opnieuw uitgegeven.

 

 

Ja
Thomas Bernhard
Vertaling door: Ria van Hengel
Verschenen bij: Vleugels
ISBN: 9789078627906
96 pagina's
Prijs: € 21,30
De dagschotelaars
Thomas Bernard
Vertaling door: Ria van Hengel
Verschenen bij: Vleugels
ISBN: 9789078627791
96 pagina's
Prijs: € 21,30

Recent

26 oktober 2020

Seksuele aantrekkingskracht als zwaktebod

Over 'De naam van de wereld' van Denis Johnson
21 oktober 2020

Een aardig plot in een wat opsommerige stijl

Over 'Een vrouw van de wereld' van Thomas van Aalten
20 oktober 2020

Reconstructie van ingrijpende gebeurtenissen

Over 'In sluitertijd' van Adriënne Schouw
19 oktober 2020

Een dunne lijn tussen feit en fictie

Over 'Eenzaam, de dapperen' van Olga Majeau
16 oktober 2020

Een lied van hoger honing

Over 'Winterbijen' van Norbert Scheuer

Verwant