Het was een wat wonderlijke week. Na de hectische start van dit jaar – als een voortdurende apocalyps – viel deze week alles stil. De zon scheen, alles smolt, werd zacht en vloeibaar. Mijn mailbox bleef leeg, de telefoon stil. Het leek of plannen er niet meer toe deden en er voor elk boek een geschikt moment bleek te zijn. In deze stilgevallen week bleek dat het tijd was voor Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde van Sander Kollaard. Ik weet niet meer waar ik het vandaan haalde (mijn indeling: gelezen/ongelezen/verhalenbundels/bio’s brengt me wel eens in verwarring) maar had het opeens in handen. Het was een rustige week en daar voegden de zinnen en de verteltrant van Kollaard zich met gemak in; langgerekt, af en toe brutaal, hier en daar een tikje verlegen.


Toen ik het  boek opengeslagen in mijn handen hield, leek het of ik onder water getrokken werd.  De figuur Erik – die in alle verhalen voorkomt – staat als achtjarig jongetje aan de vloedlijn en ziet zijn vader in het water, die hem aanmoedigt er ook in te komen. Onbeweeglijk blijft hij op het zuigende natte zand staan waarin hij steeds verder wegzakt. Als een oponthoud in zijn leventje waarvan elke betekenis herzien moet worden. In alle verhalen is Erik de verteller, als kind, als getrouwd man, als vader, als student. Erik neemt de dingen zeer indringend waar. Kollaard beschrijft dat in registrerende zinnen die alle ruimte geven om er wat van te vinden. Betoverende verhalen over kleine, niet-noemenswaardige waarnemingen die, als je ze serieus neemt, je erdoor laat beïnvloeden, gevolgen kunnen hebben. Zoals de volwassen Erik zich op een ochtend bij het scheren in zijn rechterwang snijdt. Hij slaakt een kreet,  die hem schokt omdat hij de kreet niet herkent als van hemzelf.  “Verrast door de merkwaardige kreet verstarde ik, keek mijzelf aan in de spiegel en kreeg een tweede schok: ik herkende mijn spiegelbeeld niet – althans niet volledig.” En nee, dit wordt geen vervreemdend verhaal. Kollaard haalt er de wetenschap bij. En Erik laat een baard groeien om ervan af te zijn.

Hypochondrisch ben je als je alles te zwaar neemt, overal wat achter zoekt. Erik is daar goed in. Hij registreert, oordeelt en onderzoekt zijn angsten die uit het oordeel van zijn waarnemingen zijn voort gekomen. In elk verhaal blijft hij ‘haken’ aan een gebeurtenis, een op het oog nietszeggend dingetjes. Zoals het doelpunt dat Marco van Basten in de EK-finale van 1988 maakte. Erik is daar getuige van: “Van Basten loopt juichend weg en over de hele wereld raken voetbalminnaars in extase.” En dan: “Ik niet. Natuurlijk zag ik hoe mooi het doelpunt was (…)  – ik sprong zelfs uit mijn stoel.” Maar: “Er klopt iets niet.”  En dat gevoel wordt onderzocht. Hij wil exact weten waar dat gevoel op stoelt. Een boek waarin de waarneming bevraagt wordt. Dat het belangrijk is vragen te stellen – niets is wat het lijkt – leerde ik in deze wat wonderlijke week. En de uitkomst? Doet er niet altijd toe. Een fijn boek.

 


Inge Meijer is een pseudoniem en wil dat wel zo houden. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.