Gedichten die niet poëtisch willen zijn – masterclass K. Schippers

door Joost van der Vleuten

Passa Porta is een Brusselse boekhandel en cultureel centrum dat er een writers in residence op nahoudt. Zo kwam het dat K. Schippers (1936) nu al twee maanden in Brussel verblijft, om te schrijven en om werken met studenten aan de universiteit. Ter afsluiting geeft hij een openbare masterclass in Passa Porta. Schippers gedraagt zich niet als een operadiva die haar masterclass misbruikt om het ego van de discipelen te verpletteren. Wel was hij dwars, bruusk en knorrig, maar vooral geestig, vitaal en verrassend.

Schippers leest en parafraseert gedichten en prozafragmenten. De gespreksleider stelt vragen en moedigt het publiek aan een bijdrage te leveren. Dat publiek (veel studenten) zoekt naar betekenis, diepgang en poëzie, naar de grens tussen poëtisch en banaal, naar het verband met conceptuele beeldende kunst. Maar daar wil Schippers eigenlijk niet van weten. Nee, geen poëzie, wat is dat, poëtisch? Misschien zelfs geen gedicht. Noem het teksten. Het gaat vaak over de werkelijkheid, en het kijken ernaar. Vooral die stukjes realiteit die zo vanzelfsprekend zijn geworden dat geen mens ze meer ziet zoals ze zijn. Zoals het gedicht met de bevreemdende titel ‘Correctie om wat’ en de materiaalaanduiding ‘Lucht en glas’ (alsof het om een schilderij gaat, ‘ olieverf en mixed media’):

‘Een neveltje zien dat er niet is,
komt door een minieme oogafwijking
Maar niet merken dat het weg is,
als je ter correctie een bril draagt.’

Teksten moeten nauwkeurig zijn, analytisch, dat vindt hij prettig, bijna meetkundig exact. Neem zijn gedicht van zes woorden (waar één woord teveel in staat). Bezie de onverbiddelijke logica van ‘Trage start bij een rantsoen van twee zinnen’: “ Kan ik zeggen ‘Na deze zin /  komt nog een zin’ of lieg ik dan? // Ik had het kunnen zeggen, / maar hier niet meer.” Of neem ‘Een leeuwerik boven een weiland’, dat lange gedicht over een gedicht, waarin heel zorgvuldig wordt uitgelegd welke rommeligheid buiten het gedicht wordt gehouden – die er daardoor juist in komt:

‘En dat wat beoogd wordt of waar
het om gaat is zeker aanwezig
in een sterke concentratie: dit is
het, wat hier staat, nee, niet de
woorden die ontbreken, die zijn er
met opzet niet bij gezet, precies,
de aandacht ligt veilig in de rails.

Want in een gedicht horen geen
dode plekken als lange straten of
eindeloze weilanden, die in ’t echt
wel ruimte bieden aan een kapotte melkfles of een leeuwerik,
maar op papier te veel nummers hebben
of te breed, te ver zijn: ze bestaan wel,
maar alleen buiten mogen ze
volop, dubbeldik, mat en saai zijn.
Daar is geen plaats voor in een gedicht.’

Declamerend en grasduinend in eigen werk maakt Schippers het zijn ondervragers knap lastig: Ik ben niet zo van de interpretatie. Waarom staat er wat er staat? Toeval? Ik geloof daar niet zo in, wil het toeval graag beentje lichten. Soms lees ik diepzinnig commentaren op mijn werk. Alsof iemand een positie betrekt en zegt: “Ik lees het alsof er een betekenis in zit.” Prima, ze doen maar, maar vraag mij niet wat ik daar nu weer van moet vinden.

Hij leest voor uit ‘ Wat je maar kort hoeft te onthouden’. Een opsomming, meer niet.

‘[…]
Schoenen die je niet meer draagt
Voorbijgangers op een zebrapad
De stem van een vrouw die verkeerd is verbonden
Wolken
Het gewicht van een tas
Adres van een opgeheven stomerij
[…]’

‘Nee, in zo’n tekst zit geen melancholie,’ reageert hij op een suggestie van een toeschouwer. Misschien zit die melancholie in de lezer. ‘Wie weet, maar wat moet ik daar van vinden?’ Interpretaties, zo die al bestaan, daar maakt hij zich niet druk om. En nee, zijn teksten zij niet mild. Of we dat zeker niet meer willen zeggen. Na enig aandringen bekent hij: ‘Gedichten komen voort uit de manier waarop je je verhoudt tot je bestaan. De dingen zien zoals ze zijn, zoals ze echt zijn.’ Mensen doen de werkelijkheid, ‘de dingen’ tekort, lijkt Schippers te zeggen, doordat ze verblind zijn door verwachtingspatronen, concepten en gevoelens. Zie ‘Loosdrecht’: ‘Als dit Ierland was, zou ik beter kijken.’

‘Wat er overblijft? Verhevigde observaties’, meent Schippers. ‘Maar ook daar neem je uiteindelijk geen genoegen mee. Je probeert tegelijk het gedicht onderuit te halen.’ Om de taal onschadelijk te maken, die dicteert wat we kunnen zien. Zie bij voorbeeld ‘Doos in vijf verschillende standen op tafel’:

‘Een doos op tafel
Tafel waarop doos
Een doos op de tafel
Doos op tafel
Tafel met doos”

‘In de taal zitten alle standen van de doos vervat,’ zegt hij. ‘Meer lijkt niet mogelijk. ‘ En humor, iets lichtvoetigs, okay. Dat kan de poëzie wel gebruiken. Maar geen metafysica of maatschappijkritiek. Of een gedicht nou een verpakking is van iets, of juist een ding op zich? Die vraag wil hij niet beantwoorden. Maar een doos bijvoorbeeld, dat is toch een verpakking?, dringt een toehoorder aan. ‘Nee, juist niet. Die doos, die staat op tafel, da’s een ding op zich en daar kun je op verschillende manieren naar kijken.’

Dan vraagt iemand of hij vindt dat hij beter is geworden in zijn métier. Schippers verzet zich zeer tegen het idee dat er één metier zou zijn, dat maatgevend is voor hoe je te werk moet gaan. ‘Dat metier moet je steeds opnieuw uitvinden, iedere keer opnieuw.’ Daarmee geeft hij een adequate beschrijving van zijn werk: steeds weer opnieuw. Tussen herhaling en repetitie enerzijds, en steeds weer het wiel uitvinden anderzijds. Van laconieke observatie: ‘Als je goed kijkt zie je dat alles gekleurd is.’ Tot betekenisloze taalbouwsel (naar het lijkt): steeds weer worden de zintuigen gescherpt en de hersenen geprikkeld. Zeker als hij het voordraagt, terwijl hij door de winkelruimte beent, blijkt het allemaal nog fris alsof het gisteren is geschreven. Nog geen streep verouderd, en toch al klassiek, moet de conclusie luiden.

Hij draagt het gedicht ‘Met van’ voor, dat bestaat uit louter voegwoorden, die toch nog een heel verhaal vertellen:

‘achter toe wel uit
Zo toe met van uit zo
Toe met van wat

Of op ter nog
Tussen tot om
In te met ook’

Vierendertig strofen lang. Nee, die tekst gaat niet ergens over, zegt hij. Hij heeft gewoon een tekst gemaakt van korte woordjes, het soort waar hij gek op is. Taal op zijn mooist, ontdaan van alle overbodigs. Het hart van de taal, zelfs, vindt hij. ‘Je ruikt aan betekenis, aan wat het kan zijn. Maar het is het niet. Eigenlijk zou er muziek bij moeten. Theo Loevendie, die zou dat kunnen. Het zou een madrigaal moeten worden, waarin je de woorden bijna niet meer hoort, enkel de klank.’ Hij zingt een stukje voor, hoe het zou klinken: plechtig, gedragen.

Schippers sluit af met een toelichting op zijn laatste boek Op de foto: een vrouw gaat op zoek naar de zevenentwintigste letter van het alfabet, daartoe aangezet door een dode fotograaf – uiteindelijk blijkt ze zelf die letter te zijn. ‘Taal moet je steeds opnieuw proberen te verleiden, alsof het een vrouw is. Meer heb ik daar niet over te melden,’ bast Schippers, toch nog poëtisch. En met een stevig: ‘Zo, ik heb gezegd’, wordt de masterclass ontbonden.

 

De boeken van K. Schippers verschijnen bij Querido. Leeuwerik boven een weiland (2009) is een stevige bloemlezing uit zijn poëzie. In 2011 verscheen de bundel Tellen en wegen. Laatste publicaties: De bruid van Marcel Duchamp, (2011) en Op de foto (2012).

 

Recent

2 december 2019

Taal moet swingen

Literair Nederland - 10 jaar geleden

06 december 2009

door Marjolein Paalvast

Er was eens een burggraaf die Medardo van Terralba heette. Hij leefde lang, lang geleden in een land ver hiervandaan. Op een dag sloot hij zich aan bij de keizerlijke troepen en trok ten strijde tegen de Turken. Medardo’s deelname aan de oorlog was echter slechts van korte duur: een Turkse kanonskogel kliefde hem in twee precies gelijke helften, die onafhankelijk van elkaar voortleefden. Nu gebeurde het, jaren later, dat de twee burggraven verliefd werden op hetzelfde meisje: Pamela, een herderinnetje.

Lees meer