Verhalen verzinnen

In het noorden lijkt alles kouder, stugger, grijzer. Het land van Domela Nieuwenhuis en Troelstra. Mijn grootvader was een sociaal-anarchist, die, toen hij eenmaal bij ons inwoonde omdat niemand hem wilde hebben, me elke zaterdag een gulden in de hand drukte. Me aansprak met ‘wicht’ en zei: ‘Niks zeggen’, terwijl hij loeihard mijn hand dichtkneep. En weg moest ik. Dat was Groningse humor, begreep ik later. Spannend was het wel, zo’n man die enkel sprak als hij het ergens niet mee eens was, zijn zachtgekookte eitje te lang gekookt had. Hij was directeur geweest bij de Gasfabriek, in de oorlog saboteerde hij Duitse acties. Maar daar had hij het nooit over. Ik lees over zulke stugge mannen in Canisius, een novelle van zompige modder, tochtige verblijven, armoede, alcohol en pakken wat je pakken kunt. Ellende is een prikkel om te gaan fantaseren, ‘iemand die niets is wil iemand worden’, (parafraseer ik Wim Brands). Dat is geen liegen, dat is iets van je leven maken, omdat dat leven niets voor je in petto had, verzin je een leven. 

Het verhaal gaat over Petrus, geboren na een verkrachting, een bastaard, simpel van geest. Door noodlottige omstandigheden in de eerste oorlogsdagen, trekt hij te voet van noord naar zuid Nederland. Hij komt in een haven te werken, waar de jongens hem willen hem testen door hem in elkaar te slaan. Als verweer roept Petrus dat als ze hem iets doen zijn oom, baas van de pooiers in Groningen, ze zou weten te vinden. ‘Hij ratelde een absurd verhaal af over Groningse pooiers die op paarden het noorden doorkruisten en die de rijken bestalen om het geld te verdelen onder de hoeren. … het werkte… En zo ontdekte Petrus zijn grootste talent: het verzinnen van verhalen.’ Zijn verhalen vormen zijn leven, brengen hem naar de verkeerde kant van de geschiedenis. Hij komt in Duitsland, wordt opgeroepen voor de Wehrmacht. En hij gaat, naar het oosten om de Russen tegen te houden. Hij ziet enkel wat hem wordt opgelegd, nooit het grote geheel. Na de oorlog voelt hij wroeging, schuld over de wereld waarin hij zich heeft laten opnemen.

Deze Petrus is een oom van de schrijver die eind jaren negentig spoorloos verdween in Antwerpen. Het laatste wat hij van hem te weten kwam was uit een Vlaams tijdschriftartikel. Dat hij dompteur was geweest in het Russisch staatscircus, daar een arm verloren had. Aan de andere kant waren er de gegevens dat hij een collaborateur was. De schrijver had zijn oom wel eens ontmoet, omschrijft hem al een ‘zachtmoedige dwaas’ met een witte baard. ‘Hij was een sterk verhaal in levende lijve, en als hij zijn leven verzon, waarom zou ik dat dan niet mogen, dus ik was vastbesloten zijn verhaal te herschrijven.’ En dat deed hij, het is een geweldig verhaal geworden van een jongen die zich verstoten voelt, een man die geen keuzes maakt. God wat een tijden, wat een rauw verhaal, uit het noorden, met compassie geschreven.

 

 

Canisius / Lammert Voos / 142 pag. / Uitgeverij AFdH (2020)


Inge Meijer is een pseudoniem, blijft nog steeds thuis, wast haar mondkapjes.

Meer van Inge Meijer: