4 juli 2013

De Rode ruiterij – Isaak Babel

Brilletje op de neus, herfst in de ziel

Recensie door Albert Hogeweij

‘Er was eens een vrouw, Ksenia heette ze. Dikke boezem, ronde schouders, blauwe ogen. Zo’n vrouw was het. Hadden u en ik er maar zo een!’ Of: ‘Er leefde eens een boerenvrouw en zij heette Ksenija. Ze had zware borsten, ronde schouders, blauwe ogen. Zo’n soort vrouw was het. Die zou iets voor ons zijn!’ Wie de eerste zin de beste vindt, zal gerechtigheid zien in het feit dat voor het eerst alle verhalen van Babel door Froukje Slofstra zijn vertaald. Zij heeft dit  met behoud van de knispering van het origineel gedaan. Froukje Slofstra is de vertaalster van de eerste zin – de tweede was van wijlen Charles B. Timmer – en is o.a. winnares van de Aleida Schot-prijs voor vertalingen 2007. Onder de titel De Rode ruiterij zijn de verhalen van Babel in dundruk verschenen in de Russische Bibliotheek bij uitgeverij Van Oorschot.

Alle Babelverhalen in één band, dat is ook handig om iemand die meende dat de Russische literatuur na Tsjechov op een lager pitje voortbrandde, mee om de oren te slaan. Ruim zeventig jaar na zijn dood leeft de Joods Russische schrijver Isaak Babel (1894-1940) nog steeds voort als inspiratiebron voor hedendaagse auteurs als James Salter, Tommy Wieringa en Arnon Grunberg. Zo legitimeerde laatstgenoemde het embedded gaan met militairen in Irak en Afghanistan door te verwijzen naar Isaak Babel die als ‘embedded journalist’ met de hoofdzakelijk uit Kozakken bestaande cavalerie in 1920 door Oekraïne, Galicië en Polen ten strijde trok in de diverse (burger)oorlogen die in het kielzog van de Russische revolutie ontbrandden. Babel deed dat op advies van zijn literaire mentor Maxim Gorki, die meende dat zijn verhalen rijper zouden worden indien hij zich onder de mensen zou begeven. Zijn verhalen verschenen aanvankelijk in legerkranten en periodieken onder het pseudoniem Ljoetov, want je kon in die tijd beter niet als Jood te boek staan.

Toen De Rode ruiterij in 1926 in boekvorm verscheen, was Babel op slag beroemd zowel binnen als buiten Rusland. De formalisten droegen hem op handen met literatuurcriticus Viktor Sjklovski voorop. Die wist namelijk wat er ontbrak aan de literatuur van zijn land: ‘De Russische literatuur is grijs als een sijsje, ze heeft een frambozenrode rijbroek nodig en hemelsblauwe leren laarzen’. Welnu, Babel leverde die frambozenrode rijbroek met bijpassende hemelsblauwe leren laarzen op maat! Met zijn zuidelijke temperament en zijn bravoure vloeide er weer warm bloed door de letteren. Zijn bondige, vitale stijl, zijn laconieke toon met verholen ironie en zijn exuberante metaforen lieten de zon weer schijnen. Stilistisch dan, want de inhoud van zijn verhalen over de verschrikkingen van de oorlog loog er niet om.

De Rode ruiterij gaat over het verkrachten, moorden en brandstichten door het rode leger als betrof het een volledig uit de hand gelopen studentenfeest. Wraak en sadisme vieren hoogtij. Zo ziet een oud-landarbeider, nu de rollen zijn omgedraaid, zijn kans schoon zijn vroegere heer genadeloos af te rossen: ‘Ik schopte hem een uur lang, of langer nog, en in die tijd heb ik het leven ten volle leren kennen. Met een schot, zeg ik zo, ontdoe je je alleen maar van een mens, een schot is genade voor hem, en een grove nalatigheid ten opzichte van jezelf, met een schot kom je niet bij de ziel, waar die is bij een mens en hoe hij eruitziet. Maar er zijn gevallen, dat ik mezelf niet ontzie, dat ik een vijand een uur lang schop, of langer nog; ik wil het leven leren kennen, het leven zoals het is…’

De verhalen ademen, ondanks of dankzij hun romantisch-expressionistische stilering van de natuur, de sfeer van een nachtmerrie. ‘Een oranje zon rolt langs de hemel als een afgeslagen hoofd.’ De dreiging kiert door de zinnen heen. Schijnbaar terloopse zinnen over de meest uiteenlopende gruwelijkheden krijgen een haast komisch effect omdat ze door het understatement van de auteur minder eer krijgen dan een zonsondergang of sterrenhemel. Maar het schokkende voor die tijd was vooral het achterwege blijven van ieder expliciet moreel oordeel. Al kun je stellen dat Babels stijl, die het verhevene zonder overgang naast het banale plaatst (‘Hij spreekt op dezelfde toon over de sterren als over een druiper’, aldus Sjklovski prijzend), recht doet aan de chaos van de verwarrende tijd van de burgeroorlog en pogroms die hij maar al te goed kende uit zijn eigen jeugd.

In de verhalen duikt vaak een alter ego van Babel op: het bebrilde type dat als buitenstaander getuige moet zijn van de gruwelijkheden. De ik-verteller kent daarnaast ook zijn eigen tragiek: de jood die geaccepteerd wil worden door zijn onbehouwen, viriele wapenbroeders. Zo’n intellectueeltje moest op z’n tellen passen, omdat hij ‘een brilletje op de neus heeft en de herfst in zijn ziel draagt’.

In het verhaal Mijn eerste gans wordt hij met zijn regiment kozakken ergens ingekwartierd in afwachting van verdere bevelen van de commandant, wiens aanblik de schriele ik-verteller jaloers maakt ‘op zijn stalen, bloeiende jeugd’ en ‘de schoonheid van zijn gigantische lichaam (…). Hij rook naar parfum en de weeë koelte van zeep. Zijn lange benen leken op meisjes, tot hun schouders in glimmende rijlaarzen geklonken.’ Vanzelfsprekend ondertekent zo’n commandant, in wiens ogen ‘vrolijkheid danste’ zijn bevelen met een zwierige krul. Wanneer de commandant hem vraagt of hij lezen kan en schrijven, luidt het antwoord bevestigend, meer nog: hij is promovendus in de rechten aan de universiteit van Sint-Petersburg. Haha, hoon is zijn deel! ‘’Moederskindje’, riep [de commandant] lachend uit, ‘met een bril op zijn neus. Wat een minkukel! Ze sturen jullie ongevraagd, maar met zo’n bril ga je eraan hier.’’ Eenmaal ingekwartierd krijgt de verteller te horen: ‘Altijd gedoe over brillen bij ons, niet te stuiten. Een hoogstaand man wordt afgemaakt hier. Maar rand je een dame aan, de meest smetteloze dame, dan ben je de held bij de soldaten.’ En de situatie wordt er niet gezelliger op als de kwartiermaker er op zijn beurt nog een schepje bovenop doet: ‘Mannen’ (…) op bevel van kameraad Sivitski bent u verplicht deze man op te nemen in uw kwartier en zonder grappen, want deze man heeft geleden bij de wetenschappelijke troepen’. Niettegenstaande deze aanbeveling, smijt ‘een jonge kerel met lang vlashaar en een prachtig gezicht uit de streek rond Rjazan’ het koffertje van de verteller naar buiten. ‘Daarna keerde hij me zijn achterwerk toe en begon met bijzondere vaardigheid onbeschaamde geluiden te maken.’ De verteller kruipt vervolgens over de grond om zijn ‘voddige kleren’ en manuscripten bijeen te rapen. Wanneer de verteller zich herpakt heeft stapt hij op de oude kwartiergeefster af en geeft haar brutaal te kennen: ‘ik heb iets te vreten nodig!’ Daarmee komt er een kentering in het verhaal. Zeker wanneer hij met een vloek en vuistslag zijn bevel kracht bijzet. Omdat de arme vrouw weinig sjoege geeft, maar slechts mompelt ‘vanwege die dingen wil ik me ophangen’ werpt hij zich op de eerste de beste gans op het erf en doodt deze. De ongelukkige vrouw mag hem nu voor hem gaan braden. Een en ander is de kozakken niet ontgaan. ‘Geschikte kerel’, heet hij nu. Hij mag aanschuiven bij zijn ruwe maten. ‘De kozakken begonnen te eten met de beheerste gratie van boeren die elkaar respecteren, en ik veegde de sabel schoon met zand, liep het erf af en kwam smachtend weer terug. De maan hing boven het erf als een goedkope oorbel.’ En ’s nachts deelt hij ook in hun gezelschap. ‘We sliepen daar met z’n zessen, we warmden ons aan elkaar, onze benen verstrengeld, onder een dak vol gaten dat de sterren doorliet.’ Erbij horen is hem gelukt, maar z’n gevoelige hart is gekneusd: ‘Ik droomde en zag vrouwen in mijn droom, en alleen mijn hart, besmeurd met moord, knarste en bloedde.’

Babel mag dan een zekere fascinatie voor wreedheden aan de dag leggen (reeds in het allereerste verhaal uit 1913 knoopt een oude man zich op), zijn mededogen ligt onmiskenbaar bij de kleine man, die de wrede en chaotische buitenwereld het liefst daar had gehouden waar die hoort, namelijk buiten de deur. Maar ja, het publiek maken van zoveel geweld en terreur begaan door de legers die de heilsleer van de klasseloze maatschappij moesten brengen, was tegen het zere been van de Sovjetautoriteiten. Sjklovski mocht dan gezegd hebben dat Babel de enige was ‘die tijdens de Revolutie zijn stilistische koelbloedigheid behield’, de revolutionaire machthebbers hadden minder oog voor Babels stilistische hoogstandjes.

Zijn focus op geweld van de rode garde in zijn oorlogsverhalen en het ontbreken van een socialistische strekking werden hem niet in dank afgenomen. Er werd een lastercampagne gestart waarin hij werd afgeschilderd als een ‘Hebreeuswe erotomaan’ die de revolutie zou hebben besmeurd. Maxim Gorki, de wegbereider van het sociaal-realisme hield Babel de hand boven het hoofd, maar hij moest wel beterschap beloven en verhalen over de landbouwcollectivisatie gaan schrijven. Maar daar bracht hij, gelukkig voor ons, weinig van terecht. De tragiek van het menselijke lot tot uitdrukking komend in het streven eraan te ontkomen, lag hem nader aan het hart dan de partijpolitieke agenda van de revolutie. Daarbij nam hij de literatuur te serieus om er de politieke zaak mee te dienen.

Hoewel het verhaal Babels literaire habitat was, schreef hij ze allerminst aus einem Guss op papier en publiceerde hij niet alles wat hij schreef. Veel moest nog nader bewerkt en geslepen worden eer het kon fonkelen als een diamant. Hij noemde zich een ‘dwangarbeider’. Legio zijn de anekdotes over de voortdurende herschrijvende en schavende Babel, die van ieder verhaal wel tien varianten bezat. De lat legde hij hoog: ‘Slechter schrijven dan Lev Tolstoj leek me een zinloze bezigheid.’ Het polijsten ging door tot de essentie er stond. ‘Een goed bedacht verhaal hoeft niet op het echte leven te lijken; het leven probeert uit alle macht op een goed bedacht verhaal te lijken.’

Zijn oeuvre is niet omvangrijk maar na De rode ruiterij laten de verhalen steeds de grote stilist in Babel zien. Maar ook de humorist. Maarten ’t Hart heeft ooit over Babel beweerd: ‘Telkens moet je de tanden op elkaar klemmen, want datgene wat Babel met zijn ongeëvenaarde beheersing van het métier ons voor ogen tovert, is zo verschrikkelijk, juist omdat het allemaal laconiek wordt verteld als gold het het verslag van een bijeenkomst van duivenmelkers.’

Los van het feit dat de oorlogsverhalen niet van subtiele humor zijn gespeend, toont Babel zich wat het humoristische aangaat een waardig opvolger van Gogol. De Verhalen uit Odessa toonden al een neiging tot het groteske in de tekening van de maffiakoningen uit de getto’s. Deze Babel editie is te chique uitgegeven om streepjes te plaatsen bij passages die erom smeken in het geheugen te worden gegrift, maar zinnen als: ‘Maar was het geen vergissing van de kant van God om de joden in Rusland te plaatsen, zodat ze gekweld zouden worden als in de hel? Wat was erop tegen geweest als de joden in Zwitserland woonden, omringd door eersteklas meren, berglucht en allemaal Fransen?’ en ‘Alles ging zoals ik wilde, en alles ging verkeerd.’ vragen daar natuurlijk wel om. Babels gevoel voor het komische gaat helemaal los in In het souterrain. Dat inzet met: ‘Ik was een leugenachtige jongen. Dat kwam van het lezen.’ Al dat lezen hield de jongen van het echte leven weg. ‘Ik had geen vrienden. Wie zou met zo iemand willen omgaan…?’ Dan komt Mark Borgman, beste leerling van de klas en zoon van een bankdirecteur, in het vizier, omdat hij gebogen zit over een boek van Spinoza waarover hij zijn klasgenoten smakelijk onderhoudt. De verteller voelt de onweerstaanbare drang tegen hem op te bieden met zijn bij elkaar gefantaseerde kennis over Spinoza, het oude Amsterdam, de getto’s met hun diamantslijpers, filosofen en wat al niet. De twee sluiten vriendschap en de verteller is helemaal beduusd als hij bij de rijke familie over de vloer komt: ‘Mijn  twaalfjarige hart zwol van de vreugde en de lichtheid van andermans rijkdom. (…) Ik had niets om tegenover die eindeloze weelde te stellen.’ Toch waagt hij een poging. Hij fantaseert er duchtig op los over de avonturen die zijn opa en oom allemaal niet zouden hebben beleefd. Marks interesse is gewekt en hij wil komende zondag wel eens bij hem thuis komen. De verteller is verheugd maar ziet zich wel voor een hele opgaaf geplaatst, want ‘de werkelijkheid was anders, veel wonderbaarlijker dan wat ik had verzonnen, maar als twaalfjarige had ik nog geen idee hoe ik me tot de waarheid moest verhouden in de wereld.’ Want in de familie van de verteller kwamen ‘dronkaards’ voor, ‘er werden generaalsdochters verleid en nog voor de grens in de steek gelaten, onze grootvader had handtekeningen vervalst en chantagebrieven geschreven voor verlaten echtgenotes’. Samen met zijn tante bedenkt de verteller een plan dat de gekke opa en een luidruchtige oom komende zondag buiten de deur moet houden, opdat zij vooral niet de mythe van de geweldige familie zouden kunnen ontzenuwen. Met wat geld worden ze op pad gestuurd om elders vertier te zoeken. De tante kleedt zich op haar mooist die zondag.  En dan komt Mark. ‘We woonden in het souterrain. Borgman trok zijn wenkbrauwen op toen hij over de kromgetrokken vloer van de gang liep.’ Hij was nauwelijks binnen of de verteller begint op gejaagde toon allerlei wetenswaardigheden over de aanwezige spulletjes op te lepelen om het maar zo bijzonder mogelijk te doen schijnen. Verzwegen wordt dat zijn voorvaderen afkomstig waren uit een buurt vol ‘ruziezoekers, krompraters met knobbelige neuzen, puistjes op hun kruin en scheve achterwerken’. De hele vertoning loopt tot dusver naar wens en de verteller raakt ‘in een vreugdevolle stemming’ waarin hij uit Shakespeares Julius Caesar begint te citeren. Mark luistert geboeid, maar dan…komt, verdorie, de oom onverwachts eerder thuis. Waar de tragedie voor de verteller begint, vangt voor de lezer de komedie pas echt aan, want Babel toont zich hier op z’n grappigst. Hoe de verteller met zijn steeds luider gedeclameerde Shakespearezinnen het kabaal en de dronkenmanspraat van zijn oom en diens metgezel tracht te overstemmen en zijn eigen onrust te overschreeuwen, is onvergetelijk. Het gevloek en getier zijn niet van de lucht. ‘Mijn eigen doodsnood versmolt met de reeds voltrokken dood van Ceasar.’ De regie van het gebeuren ontglipt hem. ‘De kleine Borgman stond op van zijn stoel. Hij keek bleek om zich heen. De finesses van de Jiddische godslasteringen ontgingen hem, maar de Russische vloeken, die [de oom] evenmin schuwde, kende hij. De bankierszoon verfrommelde zijn pet in zijn hand.’ Als de weggestuurde opa ook nog op dit lawaai afkomt is de chaos compleet en maakt Mark zich uit de voeten. ‘’Niets aan de hand’, mompelde hij, terwijl hij de vrijheid tegemoet vloog, ‘echt, niks aan de hand…’ Zijn schooluniform en zijn pet met de opstaande rand flitsten over de binnenplaats’. Dat de wereld van de verteller daarmee is ingestort behoeft geen betoog.

Dat de wereld van de schrijver Babel zelf op instorten stond, stond toen al in de sterren geschreven. Na 1926 ging de officiële kritiek zich van hem distantiëren. Zijn vele reizen naar het buitenbeeld waar zijn eerste en tweede vrouw zich ophielden, zijn falen te voldoen aan de sociale opdracht die schrijvers was opgelegd en zijn kritiek op de mores van het Stalinistische regime werden hem hard aangerekend. Babel kreeg het moeilijk. Er brak een periode van zwijgen aan. In 1934 betitelde hij zichzelf ironisch als ‘de grootmeester van het zwijgen’. Zo Babel de kracht van zijn eigen talent heeft voorvoeld in een verhaal uit 1916: ‘Als je erover nadenkt, valt dan niet op dat er in de Russische literatuur nog geen echte, vreugdevolle, heldere beschrijving van de zon voorkomt? (…) Mensen voelen dat het tijd is voor nieuw bloed. Ze krijgen het benauwd. De literaire Messias, op wie ze al zo lang en vergeefs wachten, zal daarvandaan komen: uit de zonnige steppen, omspoeld door de zee’, zo zou men kunnen menen dat hij zijn eigen tragische levenseinde peilde in het slot van het verhaal Guy de Maupassant. Nadat hij gelezen heeft onder welke miserabele omstandigheden deze Franse auteur op tweeënveertigjarige leeftijd in een gekkenhuis is gestorven, staat er: ‘De mist reikte nu tot aan mijn raam en verborg het universum. Mijn hart kromp samen. Een voorbode van de waarheid beroerde me.’ In mei 1939 werd Babel gearresteerd door de geheime politie. Zijn manuscripten werden in beslag genomen. Na ondervragingen en folteringen werd hij in de nacht van vrijdag op zaterdag 27 januari 1940 geëxecuteerd en in een gemeenschappelijk graf gedumpt. Als het niet zo godgeklaagd oneerbiedig klonk, zou men kunnen zeggen: gelukkig hebben we zijn verhalen nog…

 

De Rode ruiterij
Alle verhalen

Auteur: Isaak Babel
Vertaald en van een nawoord voorzien door Froukje Slofstra
Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot
Aantal pagina’s:  544
Prijs: € 45,00 (gebonden met stofomslag)

 

 

De Rode ruiterij
Isaak Babel
ISBN: 9789028260689

Meer van Albert Hogeweij:

20 oktober 2017

Soepel en licht vallende poëzie

Over 'Wax Hollandais' van Abdelkader Benali
18 mei 2017

Poëzie gefascineerd door het zijn, het aanwezig zijn.

Over 'Gebogen planken' van Yves Bonnefoy

Recent

20 november 2017

Het leven ontwijken

Over 'Kraaien tellen' van Lucas de Waard
17 november 2017

Uitzichtloos leven in Unthank / Glasgow

Over 'Lanark' van Alasdair Gray
15 november 2017

Een portret in stukjes

Over 'Waarom ik mensen niet in mootjes hak' van Renske de Greef
14 november 2017

Diepe emoties in weloverwogen zinnen met originele beelden

Over 'Binnenplaats' van Joost Baars
13 november 2017

Een aaneenschakeling van mislukkingen?

Over 'We haten elkaar meer dan de Joden' van Els van Diggele

Verwant

4 juli 2013

Isaak Babel in EYE

4 juli 2013

Recensie door Hilde van Vlaanderen

Over 'Bijt me toch, bijt me! ' van Isaak Babel