Verdwaalde dichteres

Op een ochtend stond er een jonge vrouw tussen de boerenkoolplanten en de rode bieten in de voortuin. Ik zag haar door het keukenraam en wist: dit is een dichteres. Zij droeg een lange jas van een soepele groene stof, leren laarzen en een donkerrode hoed, waarmee zij naar mijn idee haar dichterschap op naïeve wijze wilde camoufleren. Ik speelde direct open kaart door te vragen of het dichterschap haar gelukkig maakte. Dat niet alles om geluk gaat weet ik ook wel maar het was de enige vraag die zich aan me opdrong toen ik haar daar in mijn tuin zag staan. Ze zuchtte en zei dat als ze aan een gedicht werkte, een aanval van migraine nooit ver weg was. Dat als de woorden en regels zich niet wilden schikken naar wat zij voor ogen had, ze overvallen werd door een lijfelijke onrust waardoor ze het op een lopen zette. Zo kwam ze in mijn voortuin terecht.

Ik weet wat ik met dichters aan moet en vroeg haar binnen. Zonder haar bestofte laarzen uit te trekken ging ze me voor naar de keuken. Ik vroeg niet wat ze wilde drinken want ik dacht te weten wat dichters zoal drinken en dat had ik niet in huis. Ik zette een glas water voor haar neer. Ze nam het van de keukentafel en dronk het in een teug leeg.
Om deze jonge dichteres – die zichtbaar verdwaald was in haar dichterschap – tegemoet te komen, nam ik de Portugeestalige (vertaalde) Poëzie editie van Zuca-Magazine – die ik juist die week had ontvangen – van de keukentafel. Uit het werk van enkele van de drieëndertig daarin opgenomen Portugeestalige dichters, begon ik willekeurige strofen en regels aan haar voor te lezen. Als wilde ik haar laten zien dat ik haar begreep. Al begreep ik er natuurlijk niets van.

-‘Het gedicht is een oefening in andersdenkendheid, een belijdenis / van ongeloof in de almacht van wat zichtbaar is, vastligt en   geleerd / wordt.’
-‘Je zei dat een gedicht altijd tegelijk probeert / te laten zien en te verhullen’
-‘hoe stop je de wereld / in een gedicht? vertaal je / zijn ruwe werkelijkheid, zijn / ongedurige lieflijkheid?’
-‘Waaruit bestaan onze dagen? / Uit kleine wensen, / trage weemoed, / stille herinneringen.’

Er verscheen een zweem van een glimlach rond de lippen van de dichteres. Ze zei: ‘Andersdenkendheid, stille herinneringen, versplinterde schoonheid’.
Ik vertelde ook nog dat A.L. Snijders een zkv gewijd had aan de vrouw van een despotische kasteelheer die ‘onbegrijpelijke gedichten van Arthur Rimbaud’ las. Dat ze dit volgens Snijders deed, ‘om voor zichzelf een plek te hebben die voor haar echtgenoot onbereikbaar was’. Dat is toch fantastisch’, bezwoer ik, ‘dat een gedicht een schuilplaats kan zijn’.
Evenals de aanname dat dichters drinkers zijn, kwam ik ook niet onder die andere aanname – dat dichters armoedzaaiers zijn – uit en moest ik haar deze editie van Zuca-Magazine – die haar duidelijk zeer beviel om zijn verscheidenheid aan dichtkunst alsook om de afbeeldingen – wel meegeven.

 

Geciteerde regels zijn van: José Tolentino Mendonça, Alice Sant’Anna, Vasco Graça Moura en Cecília Meireles.
Zuca-Magazine, Portugeestalige Poëzie, uitgegeven door Koppernik: hier te verkrijgen.

 


Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren en over ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

Meer van Inge Meijer: