Veel bleef ongezegd

Bougainville, de naam van een wereldreiziger, een plant, een eiland, een boek. Bezoek een Spaanse of Italiaanse kustplaats en het paars van de bougainville bloeit welig tegen zandgele muren van vervallen historische gebouwen, verlaten kerkjes. Bougainville, ik zeg de naam hardop en melancholie, verlangen, sehnsucht ontwaken. Zoals ik dat ook heb bij Jamaica, Odessa of de Sargassozee, bestemmingen waar ik nooit ben geweest, waar ik waarschijnlijk nooit zal komen, maar die bij mij een wonderlijk verlangen opwekken. Als je in het leven érgens troost vindt of vervulling van je diepste wensen, dan moet het dáár gebeuren. 

Bougainville is ook zo’n eldorado voor rustelozen. Het speldenprikgrote eiland ligt, vanuit Europees perspectief, diep in de Stille Oceaan, voorbij Papoea-Nieuw-Guinea en je ziet palmen, blauwe zee, schalen met tropisch fruit, en overal witte, rode en paarse bloemen. Als mensen érgens, ver weg van alle beslommeringen, een gelukkig bestaan leiden. Maar ook in paradijzen woeden oorlogen. Begin deze eeuw kostte een burgeroorlog op Bougainville het leven aan duizenden mensen. Zo snijdt een nieuwsbericht alle romantische weemoed uit je lijf, je hebt jezelf weer voor de gek gehouden. 

Bougainville, zelden denk ik aan de wereldreiziger, de naamgever van eiland en tropische plant, maar wel aan het boek van diplomaat Carel Johannes Schneider (1932 – 2011), bekender onder zijn pseudoniem F. Springer. Springer heeft deze kleine roman van amper 130 bladzijden de ondertitel ‘een gedenkschrift’ meegegeven. Het is dan ook een boek waarin op levens wordt teruggekeken. Over een grootvader die de liefde heeft bedreven met Mata Hari, over een jeugd in Malang, de oorlog, het reizend leven van een diplomaat. Jeugdvriend Tommie Vaulant verdrinkt tijdens zijn werk in Bangladesh. Bo, toch een soort alter ego van Springer, ontvangt diens nalatenschap: de dagboeken van hem en van zijn grootvader. Als Vaulant de druk van alledag wilde ontvluchten noemde hij een rij namen van plekken waar hij wilde zijn, eindigend met ‘Bougainville in de Stille Zuidzee, ach, Bougainville…’

Bougainville, er liggen inmiddels dertig jaar tussen het moment dat ik het boek las – voorjaar 1987 – en nu, het moment dat ik het boek uit de kast pak en doorblader om herinneringen te verifiëren. Het boek zwierf met me mee naar al mijn woonadressen. De achterflap is vergeeld. Van Bougainville erfde ik mijn afkeer van reünies. Ik herlees de scène waarin Bo zijn klasgenoten van de middelbare school terugziet en denk: dat viel toch wel mee? Er is een, bijna klassiek dubieuze rol weggelegd voor de klasgenoot die dominee is geworden. Met terugwerkende kracht wordt hij mij sympathieker. Hij tilt de reünie boven het niveau van borrelpraat, markeert de samenkomst door woorden te geven aan verlies, aan de dingen die voorbij zijn gegaan, hoe onhandig hij dit in de ogen van Bo ook doet. Terugbladerend naar het begin stuit ik op een regel die me als een vuist raakt. ‘Veel bleef ongezegd, zoals niet ongewoon is tussen oude vrienden.’

Uiteindelijk is dat de kern van Bougainville. De mens blikt terug, ervaart zijn tekort in vriendschappen, in liefdes. Ja, veel bleef ongezegd. Goed dat er soms tóch gesproken wordt, hoe onhandig ook.

 

 


Eric de Rooij (1965) is schrijver, dichter en humanistisch geestelijk begeleider. In 2020 verscheen zijn debuutroman De wensvader bij uitgeverij kleine Uil. In zijn columns schrijft hij over boeken die iets voor hem betekend hebben.

 

 

Meer van Eric de Rooij: