27 januari 2011

Dansen op de maat van het ogenblik – Diverse auteurs

Turing Nationale Gedichtenwedstrijd

Recensie door Albert Hogeweij

 

EN DE WINNAAR IS…

Wanneer u dit leest zit de tweede editie van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd er weer op en is de winnaar bekend gemaakt door de jury waarin dit jaar o.a. Gerrit Komrij, Esther Jansma, Ramsey Nasr en Huub van der Lubbe zitting hadden. Het is de meest democratische gedichtenwedstrijd van Nederland, want iedereen, van amateurdichter tot gekroonde dichtervorst, kan zijn of haar gedicht(en) inzenden á € 3 per gedicht en op basis van strikte anonimiteit. De jury weet dus niet of ze bij het beoordelen een gedicht van een professionele dichter of dat van een beginneling zitten te lezen. Wie wint wordt niet enkel een geldbedrag van € 10.000 rijker, maar wordt tevens, samen met de anderen uit de top 10, uitgenodigd een manuscript voor een bundel in te leveren, die bij voldoende kwaliteit zal worden uitgegeven. Uitgeverij Augustus zal sowieso een uitgave met de 100 beste gedichten van de wedstrijd verzorgen. Ook dit jaar was de respons zeer groot. De wedstrijd sloot op 1 november 2010 en tot die datum waren 9.869 gedichten ingestuurd door zo’n 2.300 individuele deelnemers.

De door de jury gekozen Top 100 van de beste gedichten van de hand van 84 verschillende dichters, werd LiterairNederland onder embargo toegestuurd als manuscript van de door Augustus uit te geven bundel. Er bleken een paar bekende namen tussen te zitten (althans dichters die al eens van zich hadden doen spreken), maar het merendeel was mij zeer onbekend. En dat nu maakte het lezen tot een leerrijke ervaring. Het is boeiend om te zien waarmee een debutant die zijn kans ruikt, voor de dag komt. Ik turfde veel verfrissende ongerijmdheid in een setting die van quasi alledaagsheid (‘Als een mol die vastzit in het gordijn’) zomaar om kan slaan in een decor van Absurdistan (‘de ontplofte dwerg mag mee naar huis’). Een flinke dosis onderhuids, latent venijn (‘met mijn kaken vermoord ik soesjes’).  Een enkele keer een duidelijke pointe aan het slot (‘En ze lachten / tot ze huilden’), soms ook een abrupt end (‘en dan hoort Hanlo een mus in zijn hoofd – ‘), maar eigenlijk altijd wel verantwoord vanuit de opbouw van het gedicht zelf.  Om kwinkslagen zat men niet verlegen (‘je hebt de herfst nodig/ om de winter door te komen’) Weinig kwam er langs dat niet met ironische distantie werd opgediend (‘ik weet nog dat ik dacht/ als dit de werkelijkheid is/dan kan ik ‘m wel aan’). Bij niemand bleek het gedicht nog een allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie.

Wetende dat uit deze Top 100 een winnaar zou worden gekozen, kon ik natuurlijk de verleiding niet weerstaan om míjn favorieten aan te wijzen. Welnu, de volgende gedichten sprongen er voor mij in positieve zin uit.

Het gedicht Fotografisch van Jeroen Drijver vond ik bijzonder omdat dit eigenlijk het enige gedicht is dat zuiver lyrisch wil zijn. Het heeft de tijdgeest niet mee, gezien de vele op ironisch-anekdotische leest geschoeide gedichten. Die ene uitzondering op de stelling dat het gevoel overal door ironie getackeld wordt. Een reden temeer om er bij stil te staan:

‘In mijn ouders tuin
dat mijn ochtend mijn avond
mijn herfst

In de boom van mijn kamer
mijn draagriem ons erf

In ons erf met de boomhut
de tuinman mijn kind

In het huis met haar ramen
haar schommelvlees haar oven

In het huwelijk met haar stilstand
haar droomspel haar eten

In de spiegel mijn herfst
ons pastelblauwe kozijn’

Kwam hierboven de naam Hanlo al langs. Aan hem moest ik op een of andere manier denken bij dit fraaie gedicht van Gérard van den Eerenbeemt: beste Wiek:

‘beste Wiek,
de rozenstruik is ziek,
ook de Hazelaar, de Kruisbes
in het algemeen; de groei van alle
planten traag. veel krulblad en afgevallen
knoppen, meeldauw in de tomaten, courgettes niet
in orde, zwarte schimmel, schroeiplekken
in de cichorei, rot in stammen van
nog jonge bomen, de bloemkool
aangetast. bij sommige
ontbreekt het hart.
houd je haaks,
groeten,
Bart”

Maakte de Italiaanse schilder Arcimboldo in de zestiende eeuw portretten die volledig waren samengesteld uit allerhande voorwerpen als groente, fruit en bloemen, deze dichter schotelt ons een gedicht voor dat bestaat uit (een inspectie van) gewas te velde. Stilistisch vakwerk, en mooi gecomponeerd ook. Met een opening ‘beste Wiek / de rozenstruik is ziek’ die staat als een huis!

Maar het allermeest heb ik genoten van de inzendingen van twee dichters: Charlotte Bakker en Jan Hidding. Zou zelf niet weten wie van hen de hoofdprijs het meest verdient.

Charlotte Bakker is met twee gedichten in deze Top 100 vertegenwoordigd en beide gedichten citeer ik hier. Allereerst Ballonnen.

‘Roze ballonnen, haar lievelingskleur
Dit lievelingskind van de stad
lekker warm ingestopt, vier voet
diep bij de buurman in de tuin
De middagzon kan er net niet bij

We branden een kaars
wat zeg ik, duizenden kaarsen
omdat ze opendeed voor
die lieve meneer, die zachte
ogen. Kun je me even helpen
met het opblazen van de ballonnen

We doen er nog wat bloemen bij
en een kaartje omdat ze het haar
uit haar gezicht streek, even knikte
en zich afvroeg hoeveel het er zouden zijn
terwijl ze de sleutels pakte en gedachteloos
haar zwart-witte vest dichtknoopte’

Bijzonder geslaagd vind ik de manier waarop de suggestieve zinnen te hoop lopen tegen het gruwelijke wat in het gedicht net zo goed verstopt zit als het lijk in buurmans tuin. De opgewekte toon dekt de gruweldaad des te beter toe. De eerste strofe is vooral cynisch. Maar in de tweede strofe gooit die zelfcorrectie ‘wat zeg ik’ het roer enigszins om. Het cynische spoor wordt verlaten. Er sluipt een zekere naïviteit in. Tegen zo’n gruwelmoord is geen logica opgewassen: wat volgt op het voegwoord ‘omdat’ in de tweede en derde strofe faalt om welk causaal verband ook te duiden. Niets kan logischerwijs ter verklaring dienen. Het gedicht kent twee tijdsniveaus die lijken samen te komen in de tweede strofe, wanneer de deur wordt opengedaan: als de dader tegenover zijn slachtoffer staat. Blijkbaar heeft de dader het slachtoffer gelokt met ballonnen. Was dat soms ook ter herdenking van een eerder gemaakt slachtoffer? Lopen herdenking en herhaling van de daad zo geruisloos in elkaar over? Op zulke vragen geeft het gedicht gelukkig geen antwoord, waardoor er een mooie, raadselachtige waas over het gedicht wordt gelegd. Een gruwelijk geslaagd gedicht.

Het andere gedicht Dat je hier was van Charlotte Bakker is gezegend met een zelfde soort dubbelzinnigheid:

‘Is het al even geleden dat je hier was?
Dat ik je tanden uit je mond wipte met een flessenopener
het witte schort als een lijkwade tot aan je kin
Wanneer was dat toch

dat jij mijn tandarts was
en mijn tanden trok
Ik ben niet bang uitgevallen
Ik laat winden in m’n regenpak
Maar dat instrumentarium

Alleen mijn kiezen liet je zitten
Ik wil je horen knarsetanden, zei je
Ik wil je elke nacht
horen knarsetanden

Ja het is al even geleden dat je hier binnenkwam
Je begint te stinken naast ’t aanrecht
Je armen als versteende vleugels naar opzij
En je blik zo op oneindig
dat ik gewoon niet boos kan worden
om je rondslingerende tanden

die ik steeds maar tegenkom
als zand
na een dag aan zee’

Beul en slachtoffer lijken stuivertje te hebben gewisseld. Er lijkt wraak genomen te zijn, waardoor de rollen volledig zijn omgekeerd. De flessenopener van het slachtoffer heeft het op een of andere manier kunnen opnemen tegen het instrumentarium van de tandarts.
Het gedicht stelt een vraag: ‘Is het al even geleden dat je hier was?’ In de derde strofe volgt daarop een wat vaag antwoord: ‘Ja het is al even geleden dat je hier binnenkwam’. Maar om antwoorden daarop is het duidelijk niet te doen. Eerder om een subtiel evenwicht tussen de harde toon van woorden als ‘lijkwade’, ‘flessenopener’, ‘knarsetanden’, ‘stinken’ en de vragende, losse toon van degene die het woord voert en die blijkbaar het besef van tijd kwijt is en wellicht ook het besef van haar daad? Want heeft ze niet gewoon de gewezen tandarts vermoord en stinkt hij niet daarom zo?  ‘t Gedicht heeft hoe dan ook de juiste toon, een goed lopend ritme. En wat het natuurlijk ook goed doet, is de zin: ‘Ik ben niet bang uitgevallen / Ik laat winden in m’n regenpak’. Als achter Charlotte Bakker werkelijk een vrouwspersoon schuilgaat, kon dit wel eens de eerste wind van een vrouw in de Nederlandse poëzie zijn. Wat een geluk dat je zulke gedichten niet Freudiaans hoeft te duiden!

Krijgt Charlotte Bakker de hoofdprijs, dan kan dat niet anders dan terecht zijn.

Maar hetzelfde kan ook gezegd worden van Jan Hidding. Hij staat met maar liefst vier gedichten in deze Top 100. Alle vier zijn goed, maar twee ervan deden mij net iets meer.

De eerste daarvan is aanzienlijk minder heftig van toon dan die moordverzen van Charlotte Bakker. Het is getiteld De tuin van mijn vader:

‘Omdat de wereld plat was
spitte je de aarde rond
voor de afwatering

Zo kleefde klei aan spade
en werd aarde aardigheid
in je handen

Je at een snee brood uit de trommel
en legde de slak op een verwijderd zuringblad
de hemel is van klei dacht je

Voor het donker
fietste je weg
de klompen nam je mee
onder de zelfbinder’

Paradijselijke eenvoud lijkt de overkoepelende kracht van dit gedicht. Maar het is natuurlijk fraai hoe de logica van een platte wereld toch een ronde aarde behoeft. Het is de wereld van iemand die zingevend in zijn tuin in de weer is. De harmonie bewakend van een volmaakte wereld: ‘en werd aarde aardigheid / in je handen.’ De aarde is van klei, maar ook de hemel wordt van klei gedacht: zo onder zo boven. Alles in balans. Fietst de man weg voor het donker, om het onheil van de nacht voor te blijven?

De andere gedichten van Jan Hidding hebben een veel dubbelzinnigere uitstraling. En zeker meer humor. Zo komt in het gedicht Kamperfoelie bijvoorbeeld een man ‘van de vereniging tot behoud van de natuur’ langs die evenwel, onder het mom dat het ‘voor iedereen het beste’ is, een ‘schoot hagel door mijn eksternest’ jaagt. Dat is zeker grappig, maar nog hilarischer gaat het eraan toe in Doof bij het zien van nachtegalen

 

‘Ik zag hoe god huppelde in het hofje
we stonden gearmd in de tuin
god huppelt in het hofje zei ik
geen konijn
geen konijn zei Anna
geen konijn zei ik
het is god die zich onder de rododendron verstopt
geen konijn
het is een berberis zei Anna
geen rododendron

siepelkop, zei ze
zo doof zijn bij het zien van nachtegalen
er is veel vraag naar boeren
er is een markt zei ik
boeren zijn schaars
zei Anna
een boer is een burger met een paardenlul

de lange leegte uit het oosten
zei ik

een zuurstok
zei Anna

geen konijn zei ik
geen konijn zei Anna

we stonden gearmd in de tuin
zullen we onder de rododendron gaan liggen?
vroeg ik’

’t Vers draagt een prachtige titel: Doof bij het zien van nachtegalen. Die zin lijkt een lyrische blindganger in een absurdistisch mijnenveld. Wat valt er meer over te zeggen? ‘Lange leegte’ is de naam van het stadion van voetbalclub Veendam, weet ik toevallig. Ach, ‘t is gewoon geouwehoer van de goede soort, waarop, naast de zegen van God, wat mij betreft, vooral ook de zegen van de jury mag komen te rusten.

(Deze recensie is een dag vóór de bekendmaking van de uitslag van de wedstrijd geschreven. Winnaar is geworden Henk van Loenen uit Vianen met zijn gedicht Onder de Sterren. De tweede prijs was voor Peter Knipmeijer uit Zeist met zijn gedicht Enige feiten over vallen. Maarten van Doremalen uit Heerenveen heeft de derde prijs ontvangen voor zijn gedicht Jochem gaat op reis.  ‘De jury koos unaniem als top drie een gedicht waarin de sterren weliswaar een grote rol spelen, maar dat treft door een goed getimede gruwelijkheid, een gedicht waarin het woord vogels dan wel voorkomt, maar dat verder meer weg heeft van een absurde reidans en een gedicht waarin het verdriet om een verloren kind wordt gestelpt door een sprookjesachtige tederheid.’, aldus Juryvoorzitter Gerrit Komrij.

De gedeelde vierde t/m 10 plaats is (op alfabetische volgorde) gedeeld door Maarten Beemster (Zeist), Jacoline de Heer (Dordrecht), Anke Labrie (Amsterdam), Joris Miedema (Kortenhoef), Erwin Mulder (Amsterdam), Thei Ramaekers (Roggel) en Willem Thies (Amsterdam).

De 11 t/m 20e plaats (op alfabetische volgorde) waren voor Charlotte Bakker (Amsterdam), Tijs van Bragt (Groede), Jeroen Drijver (Amsterdam), Edith de Gilde (Den Haag), 2x Jan Hidding (Rutten), Henk Huinink (Lioessens), Kathinka Kersting (Delft), Bram Oostveen (Utrecht), en Alja Spaan (Alkmaar).)

Deze bundel bevat de honderd beste gedichten uit de tweede editie van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd.

 

Dansen op de maat van het ogenblik
Diverse auteurs
Verschenen bij: uitgeverij Augustus
Prijs: € 9,95

Meer van Albert Hogeweij:

18 mei 2017

Poëzie gefascineerd door het zijn, het aanwezig zijn.

Over 'Gebogen planken' van Yves Bonnefoy
2 februari 2017

Vormvast en elegant van stijl

Over 'Viviane Élisabeth Fauville' van Julia Deck
15 december 2016

Twaalf lofliederen op lichamelijke schoonheid

Over 'Poèmes secrets / Geheime gedichten' van Guillaume Apollinaire

Recent

17 augustus 2017

Gedichten die op afstand blijven maar ook weten te ontroeren

Over 'De wereld onleesbaar' van Jeroen van Kan
11 augustus 2017

Zorgenkind of zondagskind

Over 'Herinneringen in aluminiumfolie' van Jamal Ouariachi
9 augustus 2017

Wachten op Godot aan de Moldau

Over 'Een afgedane zaak' van Patrik Ouredník
7 augustus 2017

Een kanjer

Over 'De tandeloze tijd 6 : Kwaadschiks' van A.F.Th. van der Heijden
4 augustus 2017

Wondranden

Over 'Een tuin in de winter' van Anna Enquist