6 maart 2017

Kunst en critici

Door Martin Lok

Sommige kunstenaars zijn drama-queens. Ik denk aan kunstenaars als Caravaggio, Bernini, Rubens en natuurlijk Rembrandt. Vier grootmeesters van het Grote Verhaal, dat zij steevast met veel bombarie brengen. Een mooi voorbeeld is Rembrandts Mozes en de Tafelen der Wet. De profeet is net van de Sinaï afgedaald en treft het volk feestend bij het gouden kalf aan. Rembrandt schildert echter niets van dat alles, maar beperkt zich tot een teleurgestelde Mozes die op het punt staat uit frustratie de tien geboden aan gruzelementen te gooien. Een dramatisch schilderij. Rembrandt laat Mozes hoog boven zijn toeschouwers uittorenen, met de tien geboden nog hoger in zijn handen. Als aankondiging van dat wat verloren zal gaan.
mozes_tafelen2_grtOok literair recensenten is dramatiek niet vreemd. Ze schuwen vaak het Grote Woord niet als ze de lezers hun literaire voorproeverij opdienen. Terecht, want zoals ik eerder op deze website schreef, ‘kunstkritiek is een serieuze zaak’. Arjen Fortuin was zo’n theatrale criticus. Hij schuwde het grote woord niet en schreef zelfs de Tien geboden voor de criticus, waarin hij de tafelen der literatuurkritiek samenvat. Gewoon, omdat je moet schrijven wat belangrijk is, wat goed en literatuur met een hoofdletter L is, en wat niet.

 

Nu schrijf ik hier geen necrologie over Fortuin. Die is immers nog steeds onder ons. Maar toch spreek ik in de verleden tijd over hem omdat hij afgelopen week als criticus afscheid nam, met een afscheidsstuk waarin hij zich in de positieve zin des woord een ware drama-queen toont: “Als ik me alle verkochte exemplaren van Vijftig tinten grijs persoonlijk had aangetrokken, had ik jaren geleden mijn boekenkast al geruild voor een kist absint.” Fortuins stuk staat vol met dit soort pareltjes en leest als een literaire geloofsbelijdenis. Als een soort van Tien geboden voor de criticus van Arjen Fortuin 2.0. In die hoedanigheid verdient het uitgebreide citatie, zoals ook Rembrandt steeds wordt nagetekend.

  1. ‘De rol van literatuur in de bestsellerlijsten is marginaal, in de bombarie waarmee de grote titels worden aangekondigd is de recensie slechts een voetnoot.’
  2. ‘Soms weet je na twintig pagina’s zuchtend dat je er nog driehonderd door te worstelen hebt, de andere keer ontdek je hoe terecht langverwacht een boek is.’
  3. ‘Globaal genomen zijn er twee groepen schrijvers. De auteurs die me interesseren … en de schrijvers die me niet interesseren, … die kunnen beter door anderen worden besproken.’
  4. ‘In de literaire kritiek gaat het woord boven het getal – en alleen dat al is nog minstens veertig jaar het verdedigen waard.’
  5. ‘Critici moeten niet uitzoomen maar inzoomen.’
  6. ‘Elk onvergetelijk boek is op zijn eigen wijze onvergetelijk.’
  7. ‘De ruimte in de krant is beperkt, en de ruimte in het hoofd van de lezer trouwens ook.’
  8. ‘Een criticus moet soms een reclameman durven zijn: léés dat boek.’
  9. ‘Soms oordeelt een recensent ook zonder woorden, gewoon door te lezen tot het boek breekt.’
  10. ‘Een mens moet nooit zwijgen omdat niemand luistert. Je moet hooguit zwijgen als je niet genoeg meer te zeggen hebt.’

 

Lees ook een eerdere column van Martin Lok hierover: Serieuze aangelegenheid

 

 

Recent

20 september 2017

In de huid van een leeuwin

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

16 september 2017

Een week lang feest

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer