Tent in de tuin

Een vriendin zei tegen me dat ik net zo lees als dat ik fiets. Hoezo? Je fietst alsof je achterna wordt gezeten, als je leest kan niemand je bijhouden. Waarom? vroeg ze nog. Ik wist het niet. Wat dacht ik te winnen met al dat lezen? Het leek of ik las in de hoop dat ene boek te vinden. Een boek dat zo intrigeert, uitdaagt dat je er niets meer bij hoeft te lezen. Dat elke zin of scene een wereld voor je opent die vragen oproept, of een beeld waar je dagen naar kunt kijken. Ik droomde me een plek waar ik mijn aandacht aan woorden zou kunnen geven. Aan een kelder. Terwijl het leven bovengronds verder gaat, lees jij dat ene boek waarin elke zin je over je eigen gedachtegrenzen heen zet.

Deze zomer zat ik in de tent op de rand van het veldbed. Ondanks het dunne tentdoek voelde ik me volkomen senang met een boek dat me steeds opnieuw tot lezen dwong. Over hevige regenval die de bewoners van de wijk Santa Lucia in Napels vier dagen moeten verduren. Enkele van die bewoners worden opgevoerd in geweldige monologue intérieurs. Zeer intieme gedachtestromen, zo intiem ben ik zelfs met mijn eigen gedachten niet.

Terwijl ik lees hoe de journalist Carlo Andreoli zich scheert – ‘Hij merkte dan ook meteen dat het scheermes over zijn huid ging zoals het hoorde, Carlo Andreoli wreef nog eens met twee vingers over zijn wang om te voelen en inderdaad: perfect, dus alles ging de goede kant op, die ochtend, die trouwens de vierde regendag was. Dit quasibehaaglijke gevoel dat langzaam maar zeker sterker werd zou hij de hele dag onveranderd houden, jazeker, en hoogstwaarschijnlijk ook de dag erna, want hij zou niet weten hoe en waardoor dat fijne evenwicht van hem verstoord kon worden. Ook vanwege het feit dat hij alles al wist, en dat hij vergeleken met anderen het voordeel van zijn kalme bewustzijn had, (…) hij was onverstoorbaar blijven staan en voelde de angst van de stad, de razende onrust van beklagenswaardige mensen.’ – denk ik aan hoe Nicola Pugliese (1944-2012) dit schreef, en wat hem dreef.

Malacqua is een stortvloed aan woorden, gutsend en stromend. Je zakt tot je enkels in de modder, een woordenbrij waar je je doorheen ploegt, want er zal redding zijn. En die is niet bij de officiële instanties te verwachten, maar bij de bewoners zelf.

Op die eerste regendag, 23 oktober 1973, schrijft Pugliese, ‘Er bleef maar water naar beneden komen, en net als je wilde zeggen: hé hé, nu houdt het op, plensde het alweer, nog voordat je je mond had opengedaan, diepe, voorbestemd wrok, onomkeerbare razernij.’ Er worden auto’s door het wegdek opgeslokt, mensen verdwijnen in zinkholen. De politie moet de brandweer bellen, het is een taak voor de brandweer. Pugliese laat zien dat het wat vraagt om je kop erbij te houden, dat een politieman niet zomaar als redder kan optreden, dat je dan de brandweer passeert, en dat kan niet. Je begrijpt, dat tijdens ongewone dingen, de gewone dingen voorrang krijgen omdat niemand nog weet hoe om te gaan met die ongewone dingen.

 Een boek als een litanie waarvan de woorden over je heen spoelen als een rivier die buiten zijn oevers treedt. Het is het enige boek dat Pugliese schreef. Alsof hij met die ene alles gezegd had, het op geen enkele andere manier nog eens gezegd had kunnen worden. En wat dat ene dan is, dat probeer ik te benaderen. Daarvoor zal ik in stilte lezen, en herlezen. Nu denk ik erover de tent in de tuin op te zetten, of weet iemand een kelder?

 

Malacqua / Nicole Purgliese / vertaling Annemart Pilon / Uitgeverij Van Oorschot


Inge Meijer is een pseudoniem.

Om Literair Nederland draaiende te houden, zijn wij afhankelijk van vrijwillige bijdragen. U kunt ons steunen via de rode knop. Waarvoor onze hartelijke dank!

Meer van Inge meijer: