’t Wad

Waddenblog door Hans Muiderman

Op een fietskaart van Noord Holland had ik ’t Wad gezien. Een grijze punt, een buurtschap boven Schagen. Ik rij er vanaf Wieringen naartoe, passeer de Ewijcksluis, in deze streek kreeg Lou de Palingboer een teken.
‘De Satan was de Satan niet, hij was een afsplitsing van God zelve.’ ‘Het was al, eer het was.’ Een man met vele vrouwen. Een palingboer als afgezant van God op een plek waar de Noordzee eeuwenlang getwijfeld heeft tussen zand en water. Nederlandser kan het niet. In de verte achter mij de contouren van Den Helder.

Bij Oudesluis spreek ik mezelf toe, ik moet nu goed opletten zodra de weg omhoog gaat. Ik zie een straatnaambordje, Wadweg heet het hier. Ja, ik zit goed, passeer de dijk en rij nu, in mijn verbeelding, vanuit het water het vasteland op. Rij te ver door, wegen worden weggetjes, ik moet keren met mijn camper. Rij achteruit een tuinpad op, tik met mijn bumper tegen een tuinkabouter die even, zie ik in mijn zijspiegel, op zijn voeten schommelt. Parkeer uiteindelijk op een strook niemandsland en loop de Wadweg op in de richting van de Westfriese omringdijk.
Een hardloper komt mij tegemoet, ganzen bekijken me nieuwsgierig, een man trekt in zijn moestuin met een voorn een gleuf. In de verte rijdt de intercity uit Den Helder.
Ik stap de dijk op.
Iets wat er niet meer is dat raakt me. Kan dat, dat juist de afwezigheid ontroert? Koeien grazen op een strak land, gewonnen op de zee. Vanaf hier was alles water. Het lijkt alsof ik door de tijd gereisd ben en de watervlakte voor me zie. Ik voel me thuis. Wie kijkt er zo als ik nu kijk?
Ik ben geboren aan de kust, reisde met mijn gezin 1200 kilometer verderop om weer aan te komen bij een kust. Naar een kust kan je verlangen, terwijl je er al bent. Bij mijn reizen langs de waddenkust kreeg ik de dijk erbij. Die daagt me uit: wat denk je dat je ziet als je bovenop mij staat? De dijk, ik schreef het al eerder, had ik altijd beschouwd als een sta-in-de-weg die mij belemmerde. Dat is door deze reis veranderd, de dijk creëert verwachting, maakt nieuwsgierig.

 

 

Ik lees de straatnaambordjes, in de richting van het zuidwesten is dit de Westfriese omringdijk, naar het oosten heet het Poolland. Poolland?
Een vrouw op een rode fiets passeert. ‘Zoekt u iets?’ roept ze. ‘Waarom het hier Poolland heet,’ vraag ik.
‘Maar weet u dat dan niet?’ Ze praat schreeuwend. ‘Tot hier kwamen de ijsschotsen, u heeft toch wel van de IJstijd gehoord? Alles was hier de Noordpool, dat behoort u toch te weten?’ Ze stapt van haar fiets.
‘Ik ben in de Beemster geboren.’ Ze wijst over mijn schouder. ‘Op de kermis leerde ik een boerenjongen kennen. En toen was mijn leven bepaald. Ja, dat dacht hij, maar voor mij voelde dat helemaal niet zo, ik ben altijd goed in dwarsliggen geweest,’ ze komt dicht bij me staan. Ze houdt haar oor vlakbij mijn mond. Een dove hippie op een damesfiets, een gat in haar trainingsbroek.
‘Ik ben van 1936,’ schreeuwt ze. ‘Ik heb alles al meegemaakt.’ Een levendig gezicht, felle ogen. Een hoofddoek met een strik erop, een verouderde versie van Loes Luca uit Ja zuster, nee zuster.
‘Het water in de polders is veel te hoog, meneer, dat komt door die vogellobbyisten, die verromantiseren de hele boel, overdreven liefde voor getjilp en gekwetter. En het waterschap meneer, ik zit daar in een commissie, die ouwehoeren rustig mee en de fundamenten van de huizen van voor de oorlog rotten ondertussen door dat water weg. En weet u hoe ze dat oplossen, meneer?’ Ze komt nog dichter bij me staan, ze verwacht geen antwoord van me.
‘Je sloopt de boel en plempt de polder vol met nieuwbouwwijken. Ik heb mijn hele leven vanaf mijn huis hier aan de dijk naar Alkmaar kunnen fietsen. Maar nu? Bij de eerste de beste nieuwbouwwijk verdwaal ik. Dat is erg hoor, als je de kluts kwijt raakt in je eigen land.’ Ze stapt weer op en zwaait. Ik zwaai terug.

 


Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezocht de afgelopen drie jaar niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Hij reisde van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Dit is zijn laatste blog van deze reis.

 

 

Foto: Anneke van Kroonenburg

 

Recent

Literair Nederland - 10 jaar geleden

05 juli 2010

Recensie door: Hilde van Vlaanderen
Recensie door Hilde van Vlaanderen

Het is 8 augustus 2000. John Jude Parish is net 18 jaar geworden. Hij woont in Washington DC. Hij houdt van skaten, surfen en wil het soefisme bestuderen. Zijn vader Bill is advocaat, zijn moeder heeft psychotherapie gestudeerd, maar is vooral politiek actief. Volgens zijn vriendin Katie heeft hij fantastische ouders en die augustusmaand ligt de wereld voor hem open. Na een surfwedstrijd is er nog een feest met vrienden en vriendinnen. John gaat even skaten en krijgt een ongeval, wordt geraakt door een automobilist.

Lees meer