Stof en prullaria

‘Literatuur is dood!’, is een uitspraak die ik, sinds ik me in het land der letteren begeef, regelmatig hoor. Is dat zo, is literatuur een afgeschreven kunstvorm? Laatst was ik bij Yvonne Kroonenberg in verband met mijn nieuwe manuscript. Haar appartement in het hart van de hoofdstad is, los van de kippen en het interieur, een literaire tempel in optima forma: boeken van de grond tot aan het plafond, in meer talen dan Amsterdam nationaliteiten heeft. Zittend aan haar keukentafel vroeg ik aan Yvonne: ‘Is literatuur dood?’
‘Flauwekul!’ antwoordde ze met een vermakelijk elitaire tongval. ‘God is dood, de democratie is dood, de literatuur is dood, wanneer opiniemakers zo gauw niet weten wat ze nu weer moeten beweren, verklaren ze iets of iemand dood. Mensen zijn verhalenvertellers. Alle belevenissen en gedachten worden doorgegeven met verhalen. Literatuur is het geschreven verhaal. De ene verteller is beter dan de andere. Hoe beter de auteur, hoe fermer er wordt ingestemd met de kwalificatie literatuur.’

Een antwoord dat in alles lijnrecht staat tegenover de bewering die mij als beginnend schrijver angst inboezemt, voorzichtig stelde ik haar de volgende vraag: ‘Wat heeft literatuur nodig om vitaal en aantrekkelijk te blijven?’
‘Lezers. Vergis je niet! Er wordt veel geklaagd over het teruglopende aantal lezers. Maar vijftig jaar geleden werd heel wat minder gelezen en honderd  jaar geleden waren de meeste mensen nauwelijks geletterd.’ Met stomheid geslagen hoorde ik haar aan. Natuurlijk, zo eenvoudig kan het zelfs binnen de literatuur zijn. ‘Er zijn lezers,’ ging Yvonne verder, ‘die graag spannende lectuur lezen, er zijn lezers die alleen non-fictie de moeite waard vinden en er zijn mensen die zichzelf enorm hoogstaand vinden omdat ze boeken lezen die te moeilijk zijn voor anderen. Ik kijk ook een beetje neer op detectives, maar eigenlijk reken ik alles goed wat mensen lezen. Alle lectuur, literatuur, alle kunstvormen tillen je een beetje op uit het dagelijkse bestaan.’

Die avond stond ik voor mijn boekenkast te kijken naar een handvol klassiekers, enkele verdwaalde titels die ik me heb laten aansmeren door het boekenpanel van DWDD en verder prullaria, kaarsen, afgepakt speelgoed van de kinderen, blauwe enveloppen en veel stof. ‘Literatuur heeft lezers nodig,’ herhaal ik het antwoord van Yvonne. En terwijl ik een laag stof van een ongelezen bundel blaas rijst het besef dat ook ik medeplichtig ben aan de moord op een  kunstvorm die ik zo bemin.

 


Valentijn de Heer (1986) werkt aan zijn debuutroman en ziet literatuur als een hoger goed dat constant aan evolutie onderhevig is.