5 september 2016

Steenhouwers en Leeglopers

Door Martin Lok

De geschiedenis van de schilderkunst is grotendeels een geschiedenis van rijke mensen. Wat logisch is, want als je moet buffelen om je kostje te winnen heb je weinig tijd om te schilderen. Laat staan geld om een schilderij te kopen, een luxeproduct. Met als gevolg dat, wat schilders uitbeelden lange tijd net zo luxueus was als de klanten waarvoor ze schilderden, zelfs als ze bittere ellende schilderden.

Maar er kwam een moment dat het gewone leven zijn intrede deed in de schilderkunst. Toen Vlaamse schilders zoals Jan van Eyck hun religieuze voorstellingen in gewone, huiselijke omgevingen plaatsten. Al bleef er ook toen wel wat verheerlijking in de uitbeelding van het gewone leven over. Maar dat veranderde bij Gustave Courbet. Hij gaf arme mensen in zijn schilderijen een hoofdrol op een wijze die daarvoor nog niet was getoond. Een prachtig voorbeeld hiervan is de Steenhouwers uit 1849, geschilderd één jaar na de publicatie van het Communistisch Manifest van Marx en Engels. Hier is de armoede verre van verheerlijkt en Courbet schilderde het leven van arbeiders meedogenloos realistisch. Wat misschien voor hedendaagse ogen niets bijzonders lijkt, maar in zijn tijd vernieuwend was. Courbet toont het harde leven van twee steenhouwers zonder opsmuk, waarbij de ene steenhouwer toch echt te jong en de andere te oud lijkt voor het zware werk. Het schilderij is zo ruw geschilderd dat het in alles een aanklacht lijkt te zijn tegen de barre omstandigheden van arbeiders (en van de gepolijste academische schilderkunst van die tijd). Alsof Courbet tot in zijn penseelstreek de ruwheid van het leven wilde laten zien.

In de literatuur zie je volgens mij een vergelijkbare ontwikkeling. Ook daar kom je in de vroege literatuur niet echt veel arme sloebers in een ongepolijst setting tegen. Zo zijn de meeste hoofdpersonen uit Shakespeare’s verhalen misschien wel ongelukkig, maar niet onbemiddeld. Ook hier kwam een omslag, geïnspireerd op de ellende van de industriële revolutie. Charles Dickens wijdde er vrijwel zijn gehele oeuvre aan.

Ook bij Giovanni Verga staat in De Leeglopers (1881) de onderkant van de samenleving centraal. Deze roman is de literaire tegenhanger van Courbet’s Steenhouwers. Net als Courbet is Verga meedogenloos en realistisch in zijn uitbeelding van het harde lot van de vissersfamilie, Leegloper. Ook hier zijn de hoofdpersonen veelal te oud of te jong voor de vele ongelukken die hen treft. En net als bij Courbet is het taalgebruik van Verga, zijn ‘penseelstreek’, direct en zonder opsmuk: “Hebben jullie het dan soms beter, met al dat gewerk en dat zinvolle gesloof? Het is ons ellendige lot!”

Een lot dat dan misschien ellendig is, maar wel weergaloze literatuur oplevert. Want het leed van de Leeglopers mag dan verschrikkelijk zijn, het levert net als bij de Courbet’s Steenhouwers een prachtig kunstwerk op.

 

 

Recent

21 november 2017

Reizen in een binnenwereld

20 november 2017

Het leven ontwijken

15 november 2017

Een portret in stukjes

Literair Nederland - 10 jaar geleden

26 november 2007

Geloven in een god die niet bestaat
Door Bernadet

Op de titel De Kunst van het Nietsdoen (2004) van Theo Fischer reageerden veel mensen met: ‘Oh, dat zou ik ook wel willen, een tijdje niets doen.’ Daar ging het boek echter niet over. Het ging over Taoïsme; het niet steeds willen ingrijpen in de gebeurtenissen van je leven en de dingen naar je hand te willen zetten of bezweren.

Lees meer