Boerengebrabbel

Toen mijn moeder stierf, nam ze mijn taal met zich mee. Ze was de laatste met wie ik kon spreken in het dialect van mijn kinderjaren: een scherpe en schurende streektaal, ondoordringbaar voor degenen die niet in onze stad geboren en getogen zijn, maar met een rijkdom aan uitdrukkingen en oude grammaticale structuren die nooit door het officiële Nederlands werden overtroffen. Mijn moedertaal heeft haar wortels diep in de geschiedenis.

Als kind dacht ik dat ons dialect de standaardtaal was, want ik kende niemand in de hele buurt die iets anders sprak. Standaard Nederlands was ons even vreemd en ver als Russisch. Soms verdwaalde een vreemdeling in onze wijk, iemand uit het noorden van over de grote rivieren waar de mensen een taal spraken die deftig en vijandig klonk, met een gevocaliseerde r en een raspende gutturale g: zo iemand kwam ons vreemder voor dan een buitenaards wezen. Taal weet mensen te verbinden, maar sluit tegelijkertijd anderen uit.

Dialecten hebben tegenwoordig een opgehoogde status gekregen en worden niet meer beschouwd als boerengebrabbel van volk met klei aan de klompen. Maar ik kan mijn vreugde daarover met niemand meer delen: niemand die ik ken verstaat nog de woorden waarmee ik mijn gevoelens het beste kan uitdrukken, en er is niemand meer die me noemt bij de namen die mijn moeder me zo liefdevol gaf. Ik rouw om de dood van mijn moeder en ik mis haar, maar net zo pijnlijk als het feit dat ze er niet meer is, is het besef dat ik samen met haar ook mijn taal ben kwijtgeraakt.

‘Waar niemand ooit nog thuiskomt, daar begint de poëzie’, zegt Ramsey Nasr. Ik vond troost bij een sonnet van Karel Jonckheere (1906-1993), waarvan de woorden mijn gevoel van weemoed en heimwee wisten weer te geven:

Heimwee naar moeders woordenschat

‘Ach moeder, ik weet zoveel woorden meer
en van de muze honderd lepe wetten
om ze verbluffend naast elkaar te zetten
tot schone larie over duister zeer.

Maar als ik op een avond bij ruig weer
de vangst bijeengaar uit mijn rijmennetten,
de troost schudt uit de kuil van mijn sonnetten,
vind ik mijn stem wel maar mijn hart niet meer.

Geleerde vrienden, die het kunnen weten,
hebben eens de armoe van uw mond geteld
maar geen heeft mij dan tot nog toe vermeld

hoe gij met twintig silben mild gemeten
mij meer met wijsheid en geluk vervult
dan mijn orkesttaal zwoegend mij onthult.’

 


Hettie Marzak is poëzierecensente bij Literair Nederland en een groot lezer.