Al vroeg in het voorjaar was een vraatzuchtig leger mijn tuin binnengevallen: elke nacht graasden hordes slakken zich een weg door mijn planten heen. Overdag sliepen ze aan de schaduwzijde van de bloembakken, met vijfentwintig tegelijk. Handenvol plukte ik eraf, alsof het kersen waren. Als het emmertje vol was schudde ik het ver weg in een weiland leeg. Maar elke ochtend waren er opnieuw alleen nog armetierige steeltjes over van de eens bloeiende planten. Zilverig glanzende slijmsporen lagen over alle restanten heen. Ik kon ze nooit op heterdaad betrappen op hun strooptochten, maar het bewijs van hun aanwezigheid lieten ze voor iedereen zichtbaar achter.

Met grimmige vastberadenheid zette ik nieuwe planten in grond, andere soorten waarvan ik hoopte dat de slakken die met rust zouden laten. Ik verdiepte me in methodes om het ongewenste gedierte uit te roeien of toch in ieder geval uit mijn tuin te verwijderen. Niets hielp, geen gebroken eierschalen, geen bier, geen kaneel, knoflook of koperen stuivers tussen de planten. Chemische bestrijdingsmiddelen of vergif wilde ik niet gebruiken, vanwege de katten, en omdat ik zo milieuvriendelijk mogelijk te werk wilde gaan. Maar elke ochtend was de ravage groter. Mijn tuin zag er steeds meer uit als een krater in een maanlandschap, kaal en onherbergzaam.

De slakken werden een obsessie. Ik begon mijn strijd tegen de slakken als een persoonlijke vete te beschouwen, een veldslag waarbij zij het elke dag opnieuw van me wonnen. Niets van wat ik ondernam om ze weg te krijgen leek er toe te doen, het maakte geen verschil, ze knaagden onverstoorbaar voort. Ze gaven me het gevoel dat niets wat ik deed werd opgemerkt, dat ik er niet toe deed, dat mijn bestaan verwaarloosbaar was. Niet alleen dat van mij, maar van alle mensen op aarde. Als de rook van de wereldbrand op het einde der tijden opgetrokken zou zijn en alle leven vernietigd, zouden er nog steeds slakken rondkruipen en alles wat overeind gebleven was verwoesten met hun malende kaken. Met onbeheerste hoofdletters typte ik woedend allerlei zoektermen in de zoekbalk van Google in een hernieuwde poging om een oplossing te vinden voor het probleem van de vretende kudde in mijn tuin. En toen verscheen onverwacht dit gedicht van Harriët Laurey op mijn scherm:

DE SLAK

Draag ik mijn huis en ben ik nergens thuis
en kan ik nergens voor de regen schuilen,
dan in de schelp, die ik niet om kan ruilen
voor ooit een ander, niet mijn eigen huis.

Ken ik de aarde, maar de hemel niet,
de groene haag, maar niet de bloesemknoppen,
de helling wel, maar nooit de heuveltoppen.
Laat ik geen sporen na dan van verdriet.
Ben ik maar voor eenzelvigheid geschapen
en voor de regen, die mij buiten drijft
en voor de weg, die zonder einde blijft.

En voor de kinderen, die slakken rapen,
maar ’s avonds thuis en bij elkander slapen.

Kreeg ik ondanks alles toch nog medelijden met deze stomme beesten.

 

 

Uit: Harriët Laurey / Loreley (1952)


Hettie Marzak is poëzierecensent, zij schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

Om Literair Nederland draaiende te houden, zijn wij afhankelijk van vrijwillige bijdragen. U kunt ons steunen via de rode knop. Waarvoor onze hartelijke dank!

Meer van Hettie Marzak: