8 november 2016

Secundair lezen

Door Stefan Ruiters

Tijdens mijn studietijd voorzag mijn moeder me jarenlang van opinietijdschriften. Zij werkte mijn hele jeugd en studententijd in een drogisterij en elke week nam ze Vrij Nederland, Elsevier en HP/De Tijd voor mij mee. Ik las de artikelen, maar vooral de interviews. Sindsdien houd ik van interviews, of beter nog, van interviewbundels. Interviews op tv, ook boeiend, vooral als het een paar uur duurt, zoals bij Zomergasten of de wetenschappelijk-filosofische projecten van Wim Kayzer. Of dagelijks op Radio 1, een uur lang Kunststof. Of vroeger Een prettig gesprek van Theo van Gogh op AT5. Nog meer houd ik van het uitgeschreven gesprek. In tijdschriften, kranten, of nog beter, in boeken. Gebundelde gesprekken met schrijvers, schilders, filosofen, en soms politici.

Vermaarde interviewers als Bibeb, Ischa Meijer, Frenk van der Linden. Bibeb was voor mijn tijd, interviewster voor Vrij Nederland, maar in het Amsterdamse antiquariaat kwam ik haar bundels vaak tegen. De vox populi vind ik vervelend. De man of vrouw in de winkelstraat hoef ik niet te horen oreren over een onderwerp dat zo groot is als bij voorbeeld de Europese Unie waar ze helemaal geen verstand van hebben. Daarover wil ik van een politicus in een interview over horen. Ik wil kenners aan het woord over hun vak en hun leven. Nu lees ik bijvoorbeeld in Verf, van Hans den Hartog Jager (Athenaeum-Polak & Van Gennep, vijfde druk, 2011). Gesprekken met Nederlandse schilders en kunstenaars als Ger van Elk en Armando over de praktijk van het creeëren. Den Hartog Jager noemt in zijn voorwoord als grote voorbeeld: Interviews with Francis Bacon door David Sylvester. Ik heb dat boek al eens gelezen, want Bacon is een van mijn eerste grote helden van de schilderkunst.

Zo volgen lezer en schrijver elkaars spoor van fascinatie in het najagen van biografische verhalen, de originele bronnen wat kunst en cultuur betreft. Vaak heb ik meer over het leven van bepaalde schrijvers en hun schrijfproces gelezen dan van hun ‘echte’ werk. Dat secundaire lezen doe ik graag. Het domein van de echte literatuur betrad ik in mijn tiener- en twintigerjaren via de ingang van het essay en de memoires of de biografie. Van de reeksen Privé-domein (autobiografie, memoires) en Open Domein (biografie) van de Arbeiderspers las ik menig deel voordat ik aan de roman of een verhalenbundel begon. Eerst Het roer kan nog zesmaal om van Maarten ’t Hart en daarna pas De jacobsladder. Lezen over een leven dat veraf van het mijne staat, dat heeft me altijd geïntrigeerd. Zo staan me ook nog interviews bij van rechtse politici als Wim van de Camp (CDA), Frits Bolkestein (VVD) of rechtse denkers als Gerry van der List. Lees dus ook van Rob Hartmans Vaarwel dan! Over rechtse intellectuelen. Al was ik links in gedachten, conservatieve, rechtse mensen fascineren mij enorm. Ik las in mijn studententijd alle boeken van Pim Fortuyn! Van linkse politicus tot rechtse populist. Het houdt mijn bevooroordeelde geest zo onbevangen mogelijk.

 

 

Recent

20 september 2017

In de huid van een leeuwin

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

16 september 2017

Een week lang feest

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer