24 februari 2016

Secundair leven

Stefan Ruiters

Vanochtend reed ik door een uitgebreidere variant van de nieuwbouwwijk dan waar ik, in de jaren tachtig, in opgroeide. Onder de rook van Schiphol bleek een opgeblazen ‘groeikernhel’ (Don Duyns) te liggen met de naam Hoofddorp. En een waterhoofd is het. Wie waren die fantasieloze ambtenaar-architecten die in de jaren 80 en 90 dit soort wijken uit de grond stampten? Met gelige baksteen in plaats van de rode uit vroeger jaren wordt het straatbeeld nog monotoner dan het al is door de gevels en huizenblokken, ontworpen door nuts-denkende bouwers.

Ik reed door een wijk met (al lang vergeten) vrouwelijke schrijvers: Anna Blamanstraat, Ina Boudier-Bakkerlaan, om te stoppen voor een huis in de Annie Mankes-Zernikestraat. Via email had ik een lijst met boeken ontvangen waarop ik terugmailde: ‘Dank voor uw aanbod, maar er zit te weinig interessants tussen. Succes ermee.’ Ik kreeg een mail terug dat hij met de interessante boeken best wel langs wilde komen. Ik keek nog eens goed naar de lijst en besloot toch langs te gaan.

Eenmaal binnen keek ik naar een paar stapels boeken op de eettafel en begon te selecteren, onderwijl pratend met de, zo bleek, leraar op een middelbare school in Nieuw-Vennep. ‘En daar heb ik ook nog wat staan,’ zei hij, ‘gekocht voor mijn studie filosofie en vanwege mijn interesse in de literatuur.’ Het drong tot me door dat het zeer de moeite waard was dit ritje te hebben gemaakt. Radical Enlightenment van Jonathan Israel zat er tussen. Maar ook boeken van filosofen als Richard Rorty, Kant en Nietzsche, van klassieke schrijvers als Herodotus en Augustinus en verschillende cultuur-historische studies.

Hurkend op mijn knieën keek ik de stapels door die op de grond stonden. Lekker grasduinen en eruit pikken wat verkoopbaar, interessant of beide is. Voor mezelf pakte ik Het boek van de schoonheid en de troost van Wim Kayzer, naar de prachtige tv-serie die hij in de jaren negentig maakte met meerdere schrijvers, filosofen, wetenschappers en kunstenaars over de vraag naar de zin van het leven en de herinneringen gekoppeld aan schoonheid en troost. Door die serie werd er in mij een gevoel van reflectie geboren, een filosofische houding die tot dan toe, begin twintiger die ik was, nog niet aan de oppervlakte was gekomen. Het secundair kijken naar de wereld, niet impulsief maar juist reflectief, beschouwend.

Thuis legde ik nog wat boeken voor mezelf terzijde. Van de geoloog Salomon Kroonenberg, over spraakverwarring, De binnenplaats van Babel (Atlas Contact, 2014), en ook zijn Waarom de hel naar zwavel ruikt (Atlas, 2011), waarin geologie, geschiedenis, kunst en cultuur met elkaar worden verweven. Over de werkplek van de geologie, letterlijk: de onderwereld. Reden waarom ik ook een boek voor mezelf hield over de magnifieke etsen van de Italiaanse architect Piranesi (1720-1778) van het oude Rome, maar ook van imaginaire onderaardse gewelven en catacomben. Harry Mulisch maakte mij attent op Piranesi in 1997. In dat jaar maakte de schrijver een tentoonstelling, een keuze uit de collectie van het Stedelijk Museum. Net als in 1996 Komrij dat al eens deed voor het Stedelijk. Om de drieslag compleet te maken van dode, Nederlandse, schrijvende mannen: plukte ik voor mezelf ook Johnny van Doorn uit de stapels. Zijn autobiografische verhalen waren van een stilistische souplesse, die maar weinig Nederlandse schrijvers met hem delen. Voor mijn doctoraalscriptie waarin ik zo’n beetje verzoop in de onmatige en ondeskundige wens wetenschap te bedrijven, gebruikte ik een paar zinnen van Van Doorn uit De geest moet waaien (1977): ‘Mijn hoofd was tot barstens toe gevuld met gedachten die alle kanten uitgingen. Ik wilde er iets mee doen, maar hoe kon ik ooit meester worden van die chaos?’ (Red)Middel: schrijven.

 

 

Recent

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

16 september 2017

Een week lang feest

15 september 2017

Een wonderlijk leerdicht 

14 september 2017

Daar waar granaten fluiten

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer