Romantiek, daar heb ik niets mee

Interview door Anne-Marie van der Poel

 

Ramsey Nasr heeft een acteeropleiding, regisseert, maar is toch vooral dichter. De afgelopen maanden stond hij veelvuldig in de spotlights. er was een rel rond zijn stadsdichterschap, een Palestijn als stadsdichter van het joods-gevoelige Antwerpen. Zal hij de jihad niet gaan afroepen? Zijn aanstelling ging gepaard met veel media-aandacht. Nu zijn de gemoederen bedaard en Antwerpen heeft hem als stadsdichter omarmd. Tijd voor Literair Nederland voor een gesprek met de stadsdichter. Onderwerpen als de Nederlandse cultuur, nederigheid, leven tussen extremen, de Romantiek, slecht lezende critici en geloof werden besproken onder het genot van een cappuccino en een omelet.

 

Ten tijde van ons gesprek is Ramsey Nasr ruim twee maanden stadsdichter van Antwerpen en heeft er zin in. Misschien door de rel rond zijn aanstelling nog wel meer.

 

‘Ik weet nu wat het kan inhouden en hoe mensen naar je kunnen kijken. De verdediging die ik moest voeren was een verdediging tegen een beschuldiging die de moeite niet waard was. Dit ging om mensen die mij niet kenden en het was de eerste keer dat ik werd aangevallen op mijn naam, mijn afkomst. Mensen mogen zichzelf als mijn vijand beschouwen, maar dat moet dan wel op basis zijn van wie ik ben. Ik ben er wel meer volwassen door geworden. Van nature ben ik een allemansvriend en juist door mijn opiniestukken ben ik erachter gekomen dat niet iedereen je vriendje kan zijn en dat er inderdaad mensen zijn die je bij voorbaat al haten of niet moeten. Een paar jaar geleden was ik nog de knuffelPalestijn, waarvan mensen dachten dat ze hem konden inhuren voor feestjes en partijen, maar nu weten ze waar ik sta en wat ze aan me hebben. Bas Heijne zei tegen me dat het wel goed is zo, dat ik nu niet meer van iedereen ben en dat niet iedereen meer kan zeggen: Ach ja, wat goed dat een buitenlander zijn mond ook kan roeren.’

 

Nasr moet wennen aan zijn nieuwe functie, vooral aan het verschijnsel dat hij een bekende Antwerpenaar werd.

 

‘Dat is raar, dat mensen je op straat aanhouden of naroepen. Maar bij alles denk ik, als het maar om de inhoud gaat. Als ik na dit jaar bepaalde mensen er toe heb kunnen brengen eens een poëziebundel te lezen, dan ben ik geslaagd. Ik zou willen dat mensen de glans van poëzie weer zagen. Wat nu typisch Nederlands is en wat in Antwerpen ook aan de gang is, is de afkeer van alles wat intellectueel of elitair is. Nu ben ik bij uitstek iemand die pleit voor elitarisme en ik zal nooit beweren dat poëzie niet elitair is, maar ik vind wel dat het aura van elitarisme dat om poëzie heen hangt opgeheven moet worden. Je moet proberen zo veel mogelijk mensen, al is het tijdelijk, naar die elite toe te trekken. Maar de kunstenaar moet nooit op zijn knieën. Je kunt rekening houden met je doelgroep en je kunt uiterlijke toegevingen doen, maar de inhoud van poëzie mag je nooit veranderen.’

 

De Bulkboekdag van de Literatuur, een literatuurfestival voor middelbare scholieren, achttienhonderd jongeren in de zaal. De kans om een nieuw publiek voor de poëzie winnen.

 

‘Als ik daar optreed, weet ik dat ik met iets anders aan moet komen dan wanneer ik voor een speciale poëzieavond word gevraagd waar al jarenlang hardcore poëzieliefhebbers komen. Bij de opening in de Grote Zaal lees je drie gedichten voor aan een publiek dat erdoorheen kan gaan schreeuwen. Nou, die moet je meteen op hun plaats wijzen en zelf je bek nog iets verder opentrekken. Ik lees dan ook niet mijn drie meest intieme gedichten voor, maar ik heb wel een soort regel voor mezelf: met de eerste twee probeer ik het publiek zijn zin te geven, dan lees ik iets voor waarnaar ik vermoed dat ze zullen luisteren. Maar dan lees ik er ook één die daar lijnrecht tegenin gaat, die de verstilling nodig heeft. Dat is geen knieval. Dat is gewoon slim nadenken. Want het gaat mij natuurlijk om dat laatste gedicht en dan zijn ook die schreeuwers stil’.

 

In 2000 debuteerde Nasr als dichter met de bundel 27 Gedichten & Geen Lied, een jaar later volgde zijn prozadebuut met de novelle Kapitein Zeiksnor en De Twee Culturen.

 

‘Ik werd destijds gevraagd door Bunker Hill redacteur Jasper Henderson, een vriend op de middelbare school. Of ik wat verhalen wilde leveren voor een themanummer over theater en literatuur. Verhalen schreef ik niet, maar ik had wel wat poëzie en dat is toen gepubliceerd. Naar aanleiding daarvan ben ik gevraagd of ik een bundel wilde publiceren bij Thomas Rap.

Wat me frustreerde aan het acteren was dat hoe goed je ook speelt, je houdt altijd je lichaam over. Wat me aantrekt in het schrijven is het feit dat je volledig kunt verdwijnen. De keuze voor de toneelschool getuigt natuurlijk al van een enorme hoogmoed en narcisme, je stelt jezelf centraal en denkt dat er driehonderd mensen naar je kunnen luisteren. Dat is ook de kick, maar als je dat eenmaal hebt gehad, dan is het juist het hoogste als mensen niet meer naar je kijken.’

 

Kapitein Zeiksnor en De Twee Culturen. Het verhaal van een honderdveertig jaar oude gentleman die, als een soort verjaardagscadeautje aan zichzelf, besluit orde op zaken te gaan stellen in de wereld van verval. ‘Vandaag ga ik eens op kruistocht, is me dat geen goed idee? (…) Vandaag kom ik respect opeisen. Het is gedaan met de lankmoedigheid! Gedaan met alle platheden! Ik zal de wereld deugdzaam maken, omdat ik dat wil!’

 

‘Kapitein Zeiksnor was een beetje de Ramsey van toen. Ik hechtte toen erg aan etiquette. Ik was met een soort eenzaam beschavingsoffensief begonnen. Dat was nog voordat het hier in Nederland losbarstte met de normen en waarden. Toen was het nog een soort statement. Ik vond het geweldig om te lezen over de oude etiquette en het oude Nederland van rond 1900. Lodewijk van Deyssel, daar dweepte ik mee.

Mensen hebben mij wel gewezen op de parallellen tussen Kapitein Zeiksnor en Pim Fortuyn. Iemand die terug wil naar de goede oude tijd, maar daarmee tevens terug wilde naar de tijd waarin hij zelf niet mogelijk zou zijn geweest. Hij wilde terug naar de oude fatsoensnormen en iedereen moest net zijn, maar tegelijkertijd was hij de meest flamboyante nicht, met zijn twee schoothondjes. Hij riep dat de Marokkanen zich moesten gedragen, maar ondertussen wilde hij wel gepijpt worden door diezelfde Marokkanen. Terug naar de jaren vijftig zou hij zelf nooit voor zijn flamboyante homoseksualiteit uit hebben kunnen komen. Het is gewoon een enorme paradox en op een zeer andere, ik hoop op een minder perverse manier, herken ik dat ook wel in mezelf. Regels moeten er zijn, maar dan voor anderen. Dat is Nederland ten voeten uit. Zelf ontsnap je toch graag aan de regels. Als iedereen voor een rood stoplicht staat te wachten, wil de Nederlander er doorheen lopen.’

 

De extremen komen terug in zijn werk: verheven thema’s worden vaak met humor ten val gebracht.

‘Het is een soort nederigheid. Alle grote ideologieën hebben gefaald dus je weet dat alles waar je je voor inzet met de nodige argwaan bekeken moet worden. Je kunt het beter zelf onderuit halen dan dat je critici of lezers het doen. Een manier om jezelf onderuit te halen is cynisme, maar daar probeer ik verre van te blijven. Je moet meer proberen de beperktheid in te zien van wat je wil zeggen.’

 

Het doorslaan in extremen ziet hij in de Hollandse cultuur.

‘Dit volk hangt van paradoxen aan elkaar en het enige waar dit volk één in is, is hysterie. Ik kom in opstand tegen het enorme besef bij de mensen dat ze eeuwenlang van alles hebben gemist en het gevoel dat dat in één mensenleven ingehaald moet worden door het slikken van XTC, bungeejumpen, en LPF stemmen. Gevoelens moeten steeds groter, omdat ze niet meer echt worden beleefd. Leven op externe kicks. XTC is een instantmiddel om iedereen aardig te vinden, bungeejumpen een instantmiddel om nog iets van een religieus gevoel te beleven en LPF is een instantmiddel om alle problemen van de hele samenleving op te lossen. Dat noemen we dan het Oranjegevoel, die hysterie die van de ene modegril in de andere hopt. Dan is het de LPF, dan Geert Wilders en dan weer Ayaan Hirsi Ali. Hysterie, overdrijving, tactloosheid, gebrek aan klasse. Typisch Hollands’.

In zijn werk snijdt hij regelmatig maatschappelijke onderwerpen aan. President Bush in het gedicht ‘vos’ (stand van de unie), de mkz-crisis ‘bse mkz dioxine varkenspest’. Toch houdt hij zich niet bezig met een bepaalde politieke of maatschappelijke boodschap.

 

‘Het gaat meer om een uitgangspunt, niet om een politieke boodschap die ik wil uitdragen. Ik ben niet bezig met het effect dat iets kan hebben, of met een boodschap. Er zit geen boodschap in poëzie. Je kunt wel een drijfveer hebben, zonder dat ik zelf weet welke dat voor mij is. Je moet in ieder geval proberen door de taal in het maatschappelijk leven te staan. De kracht van taal is dat je mensen hun ongelijk kunt geven en dat is wat ik van jongs af aan al wil’.

 

Onhandig bloesemend (2004, de Bezige Bij), zijn tweede bundel, werd, net als 27 Gedichten & Geen Lied, overwegend zeer positief ontvangen in de pers. De bundel leverde hem echter ook het stempel ‘romantisch dichter’ op. Een stempel dat volgens de dichter getuigt van slecht lezen en dat als persoonlijke kritiek wordt opgevat.

‘Ik heb een hekel aan de term ‘romantisch dichter’. De hele gedachtegang achter de Romantiek zint me absoluut niet. De Romantiek is bij uitstek de periode geweest waarin de kunstenaar zichzelf boven de wereldorde heeft geplaatst en zichzelf centraal heeft gesteld als een genie, een plaatsvervanger van God. Ik vind dat onzin. Een kunstenaar is geen profeet en hij is zeker niet de lijdende mens. Hij mag zich hooguit gelukkig prijzen dat hij het lijden nog om kan zetten in iets anders. Anderen springen van een flatgebouw. Onhandig bloesemend is een zoektocht naar welke beelden vanuit de Duitse Romantiek na Auschwitz mogen blijven bestaan. Het cliché luidt dat er na Auschwitz geen plaats meer is voor nachtegalen. Maar er bestaan nog nachtegalen. Moet je dat negeren? Moet je negeren dat mensen elkaar nog steeds liefhebben en afmaken, dat mensen met andere woorden nog steeds door passie worden gedreven? Nee, dat is inherent aan het leven. Auschwitz of niet.’

 

In 27 gedichten & Geen Lied vertaalde Ramsey Nasr twee psalmen van David, psalm 6 en 38. Voor Onhandig bloesemend vertaalde hij er opnieuw een, psalm 23.

 

´Wat me aansprak in deze psalmen was voornamelijk de taal. Het tonen van de eigen onmacht, de schuldbelijdenis die tegelijkertijd een liefdesverklaring is aan God. Ik vind het persoonlijk nogal praktisch om te geloven ? ongeacht waarin en ongeacht of ik dat zelf doe of niet. Het is handig om overeind te blijven. Ik geloof niet in een man op een wolk, ook niet in een geïnstitutionaliseerde God. Ik weet niet of God staat voor iets dat ook zinloosheid kan inhouden, namelijk natuurkrachten, of dat God iets is dat het leven echt zin zou moeten geven. Ik houd vooralsnog de mogelijkheden open. Maar ik denk dat geloof vooral het mechanisme is dat er voor zorgt dat je zelf even buiten het centrum wordt geplaatst. Ik vind het geweldig om te ervaren dat een bacterie succesvoller is dan wij. Wij zijn over een paar miljoen jaar uitgestorven. Als we zo doorgaan, binnen aanzienlijk kortere tijd. Dat vind ik de meest schokkende gedachte die er is. Bach, Mozart, uiteindelijk heeft het helemaal geen zin gehad, totaal nutteloos. Misschien is kunst van een sublieme zinloosheid’.

 

 

Citaten uit: Ramsey Nasr, Kapitein Zeiksnor en De Twee Culturen

 

Om Literair Nederland draaiende te houden, zijn wij afhankelijk van vrijwillige bijdragen. U kunt ons steunen via de rode knop. Waarvoor onze hartelijke dank!

Recent

26 december 2023

Beste boeken van 2023

26 december 2023

Een oeverloos bestaan

Literair Nederland - 10 jaar geleden

06 januari 2014

Een boer met een bibliotheek Een boer met een bibliotheek
Recensie door Adri Altink

Al op de eerste pagina legt Benno Bernard treffend uit waarom hij een landjonker is: ‘Gezonde buitenlucht snuif ik met welbehagen op; ik boots hier op mijn bekoorlijke platteland tussen voormalige boeren de voormalige landadel na. Daartoe bewoon ik een oud boerderijtje, cultiveer elf are grond en koester vele anachronistische inzichten, die muf ruiken in de neus van mijn tijdgenoten.’

Wie deze zinnen na lezing van het hele Dagboek (het bestrijkt de periode van 2008 tot de eerste dagen van 2013) nog eens terugpakt, merkt hoe kernachtig dat zelfportret is.