Roman in briefvorm

Je sluit het boek dat eindigt met een man die blootsvoets rennend zijn huis verlaat, zijn bloedhond, genaamd Sok, als een dolle achter hem aan. Het staat in een van de laatste brieven, geschreven 11 augustus 1987. Hoofdschuddend breekt er een lach in je door. Meesterlijk einde, een knipoog naar de toch wel stoere man die zich het hele boek door middel van brieven, gericht aan vriend, vijand en een ex-geliefde, de gekte buiten de deur probeert te houden. Als correspondentieschaker, ooit op Europees niveau spelend, schrijft hij brieven die niet eens allemaal verstuurd worden. De gedachte aan de geadresseerde is hem genoeg om zijn leven in beweging te houden.

Na een aarzelend begin, waar sprake is van een in de nek hijgende vertegenwoordiger van de overheid die het op het huis van de kluizenaar gemunt heeft, gemijmerd wordt over een verloren geliefde (een liefde, zo blijkt ,die hij nooit heeft durven bekennen) – maar waar de brieven langer worden, al snel hele stukken ademloos leest. Door de prachtige verhalen die deze Allard van Benniq Methorst in zijn brieven vertelt. Kunnen we het hebben over bloemrijke taal? Als een merel tegen het raam gevlogen is, schrijft hij daarover aan zijn vriend Lop. ‘Ik stond juist thee te zetten toen ik de vogel in volle vaart op mij af zag komen. De botsing deed de ruit trillen. De merel stuiterde terug, schudde het kopje alsof ze zich verwonderde en stortte neer op het pad. Vrijwel direct kwam er uit het snaveltje bloed dat een dikke druppel ter grootte van een stuiver vormde op de tegel. Helrood, als zegellak. Vergeefs woelde de wind tussen de veren naar een hartslag.’ Dat beeld van woelende wind en het ontbreken van een hartslag.

Brieven lenen zich ervoor om uit te weiden, dingen te vertellen die ‘face to face’ niet verteld worden. Allard schrijft aan een vrouw die hij via een verkeerd verbonden telefoonnummer heeft leren kennen, ze besluiten elkaar te schrijven. De onzekerheid van de vrouw bezweert Allard met: ‘De vele doorhalingen waar je je aan het slot van je brief voor verontschuldigt, zijn allerminst storend. Integendeel. Het toont mij de zoekende briefschrijfster, de eerste ingevingen. De doorgehaalde woorden zijn vaak het eerlijkst.’ Zo brieven te schrijven, zonder zelfcensuur.

Geleidelijk aan ontstaat er in de brieven een bouwwerk waarbinnen het leven van deze ex-schaakmeester zich aftekent, waar hij vandaan komt, eindigt als kluizenaar. Je denkt aan de brieven van Gustave Flaubert in Haat is een deugd. Waarin hij vriend en minnares op de hoogte houdt van zijn staat van zijn. ‘Waarom vind ik zo’n troost in de eenzaamheid?’, schreef Flaubert in 1853 aan Louise Colet. Hoewel je een lach niet kon onderdrukken bij de laatste brief aan vriend Lop, waarin Allard verslag doet van zijn vlucht naar het dorp, is het natuurlijk droevig dat hij uit zijn kluizenaarshol verjaagd werd. Je denkt voorts aan al die verhalen die in dit boek vertelt worden. Er gaat een bepaalde betovering uit van de taal van Baneman, de beschrijving van een gelaat, het uiterlijk van iemand. Met deze roman in briefvorm waan je je soms in de sfeer van de brieven van Toergenjev, Brouwers, Flaubert, en dat door een hedendaagse jonge schrijver. 

 

 

De schim van Raamswolde / Alexander Baneman / 235 p. / Van Oorschot


Inge Meijer is een pseudoniem, op zoek naar een goed verhaal.

Om Literair Nederland draaiende te houden, zijn wij afhankelijk van vrijwillige bijdragen. U kunt ons steunen via de rode knop. Waarvoor onze hartelijke dank!

Meer van Inge Meijer: