Roesachtige gedachte

In de twee jaar dat ik op deze plek een column schreef, heb ik maar een enkele keer over het schrijven zelf geschreven. Raar, als je bedenkt dat het een onderwerp is dat mij bovenmatig interesseert. Misschien wilde ik het vuur binnen houden, zodat het feller brandde. Misschien geneerde ik me gewoon. Dat laatste lijkt me, mezelf kennende, niet onaannemelijk. Maar nu kan ik niet meer. Ik wacht op reactie van de persklaarmaker – mijn roman is zo goed als af – en zoek naar middelen om de stroperige leegte te vullen. Ik zal u iets bekennen: het liefst praat ik de hele dag over dat boek. Of het maakproces, maakt niet uit. Zoals wanneer je verliefd bent en het liefst voortdurend praat over die ander, hoe je de zinnen, gebaren en blikken zult interpreteren, de pieken, de dalen. Ieder detail heb je onthouden en wordt tegen het licht gehouden als een uiterst kostbare diamant. En omdat je geen vijftien meer bent en ook weleens de luisterende partij bent geweest, weet je hoe oervervelend dat voor de ander is. Bovendien kan geen enkele reactie de honger stillen. Ik houd het daarom vaak voor mezelf, dat tomeloze. De energie zoekt niettemin een weg. 

Ik lees en het zal geen toeval zijn, dat het boeken zijn van schrijvers over hun jeugd, één die zich aan het begin van de vorige eeuw afspeelt. Het eerste is De behouden tong van Elias Canetti, het tweede is Jeugd van Tove Ditlevsen (tweede deel uit de Kopenhagen trilogie). De (sociaaleconomische) verschillen tussen de twee zijn groot. Toch zijn het de overeenkomsten die zoveel krachtiger zijn. Beiden weten al jong dat ze schrijver willen zijn. Canetti wellicht aangestoken door zijn moeder en haar liefde voor schrijvers en het theater. Ditlevsen, een meisje uit een arbeidersmilieu, zonder geldige reden, zou ik haast zeggen. In heldere zinnen schetst ze haar bonkige, Deense jeugd. Tweemaal ontmoet ze een man die vaag iets in haar ziet. De eerste overlijdt, de tweede verdwijnt. Natuurlijk is ze bij de derde, een redacteur, bang dat hem ook iets zal overkomen. Dit alles weerhoudt haar niet. De onbegrijpelijke betovering die uitgaat van sommige woorden of zinnen stuwt haar voort. 

Dat weerbarstige willen van een individu, het uitgroeien boven iedere verwachting, dat is wat me raakt. Ik word verliefd op deze mensen, op Canetti om zijn eerzucht, zijn plotselinge jongenswoede en zijn vermogen om van zijn jeugd niet minder dan een mythe te maken. Op Ditlevsen om de haarfijne beschrijvingen, haar geworstel met het burgerlijke en haar koppige opstaan na vallen. Om hun beider eenzaamheid, die ze met lezen of schrijven op afstand houden. Omdat ze mij laten geloven dat dit hun leven was.
Ik schrijf niet graag over schrijven omdat het een liefde is die zich moeilijk laat vangen. Je kan hem hoogstens benaderen door iets anders, de contouren ervan, te beschrijven. Daarom vul ik de leegte met de roesachtige gedachte aan het volgende boek dat geschreven wil worden.

 

 


Dit is de laatste column van schrijfster Mariken Heitman, twee jaar lang schreef zij voor Literair Nederland maandelijks een column. In 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap bij AtlasContact, haar tweede roman laat niet lang meer op zich wachten.

 

Meer van Mariken Heitman: