De kick van lezen is het moment dat je uit de wereld valt. Geregeld heb ik dat nodig (niet dat ik het dagelijks zoek). Niet elk boek heeft het in zich. Het is simpelweg een kwestie van doorlezen, samenhang vinden. Zoals een junk zijn spul geregeld wil hebben, rusteloos wordt als er niets in huis is, word ik rusteloos van een boek. Een glas wijn erbij is onontbeerlijk. Dan doorlezen tot er iets ontdekt wordt waarvan je niet wist dat het er was. Dat moment, aangevuld met nog een slokje wijn, doet me mezelf ontstijgen, eurekagevoel. Het boek moet terzijde gelegd, een zucht geslaakt. Wat het precies is kan niet aangeraakt worden, maar het is er. 

Ingmar Heytze stelde in het afgelopen jaar een boek samen met honderd van zijn beste gedichten. Bij elk gedicht schreef hij een inleiding, de weg die naar het gedicht leidde. Al lezende kom ik te weten dat de dichter tweejaarlijks met collega vriend Frank Koenegracht, die hij als zijn dichterlijke vader beschouwt, belt. Dat hij elke dinsdagavond gaat kaarten met vrienden. Dat geluk voor hem is, ‘Dingen lamineren in de herfst terwijl het buiten regent en je handen warm worden van het plastic dat je uit de laminator pakt’. Dat hij er nooit uit zichzelf over zou beginnen dat hij ook stadsdichter is geweest. ‘(…) als iemand me vraagt of ik stadsdichter ben / zeg ik nee of soms of desgevraagd /of weet ik veel of niet vandaag / want als ik ja zeg verdamp ik // als iemand vraagt of ik stadsdichter ben / vraag ik welke stad’.

De drug voor het schrijven zoekt de dichter in de ‘afwezigheid van gewijde stilte’. Hij schreef zijn meeste werk in cafés, geroezemoes brengt hem in hogere sferen. ‘Ik verdwijn in de tijd tot ik wakker word met de eerste aanzet op mijn scherm of het papier. (…) de enige reden dat ik nog steeds gedichten schrijf: ik wil die roes.’ Als dichter zit je niet enkel in je eigen universum, soms wordt er naar buiten getreden, word je uitgenodigd te komen spreken, wat poëzie aan te brengen in de voegen van het ondernemerschap. Dat dat niet altijd goed valt bleek op een avond toen hij honderd in het pak gestoken heren van een herensociëteit toesprak. De avond lijkt vriendelijk te eindigen, de dichter, die tot geen enkele groep behoort, voelt zich geaccepteerd.

Tot er een mannetje bij komt staan, hem vraagt, ‘Was dit nou alles wat je ons wilde komen vertellen?’ ‘Ja’, zegt de dichter. ‘Dat boeit mij niet’, was het antwoord, herhaalt dat nog eens, triomfantelijk om zich heenkijkend. De dichter, ‘Als ik ooit nog eens iemand op zijn bek wilde timmeren, was dit het uitgelezen moment.’ Er kwamen heren tussenbeide, er werd nog wat gedronken, de dichter taaide af. De volgende dag schreef hij, ‘Inwijding’, over ergens bij horen. ‘Op een dag treed ik toe tot een Vereniging. / Rond middernacht word ik van mijn bed gelicht, / (…)
Het is dat het woordental van deze column allang overschreden is, er valt nog veel over te zeggen. Uit de inleidende teksten spreken zijn onzekerheden, neemt de dichter zichzelf niet al te serieus (wat je als dichter natuurlijk ook niet moet doen), maar in het daarop volgende gedicht zet hij zichzelf weer in elkaar, stevig, als revanche op wat hem overkomen is. Soms legde ik het boek terzijde, zuchtte om het geweldige, de samenhang. 
Wat een heerlijke verzameling van Heytze.

 

 

De honderd van Heytze / Ingmar Heytze / 240 blz. / Uitgeverij Podium


Inge Meijer kan verliefd worden op een tekst, leest boeken altijd helemaal uit.

Meer van Inge Meijer: