Omslag  -

Het sedumdak helt licht omhoog, je zou je op een alm kunnen wanen.  Ik ben op mijn knieën het dak aan het wieden, trek voornamelijk vogelmuur en ereprijs uit. De vetplantjes veren onder mijn gewicht. Iets verderop gooien ooievaars in hun wielnest klepperend de kop in de nek. Polder castagnetten. Ik droom weleens over veel te grote vogels. Werkt altijd, een grote vogel wekt ontzag. Waarmee ik niet wil beweren dat ik de boodschap van zo’n droom doorgrond. Die twee daar zijn echt. Notoire stofzuigers, die weilanden en sloten afstruinen en alles, kikkers, muizen, insecten, naar binnen werken, rode lijst soort of niet.

Het kan groter. Op Flores, een eiland in de Indonesische archipel, leefden ooit reuzeooievaars. Ik kan daar niet teveel over kwijt omdat er zo’n gigant figureert in mijn nieuwe roman. Maar stel je er een vogel bij voor van om en nabij de twee meter. Ingewikkeld inderdaad, de verbeelding bladert door het geheugen, op zoek naar voorbeelden: hoe lang de poten, hoe majestueus de verenborst, hoe angstaanjagend de kop met de kleppersnavel? Want met muizen nam hij vast geen genoegen. Het lukt maar matig me er een voorstelling van te maken. Alsof je naar de ansichtkaart van een imposant schilderij kijkt. Maar nu, met het klepperende stel voor me, snap ik het ineens. Mijn broer, die is ook bijna twee meter lang. En daar verschijnt hij voor mijn geestesoog, een broergrote vogel.

Verderop loopt een man over het polderpad. Zijn hond heeft overduidelijk iets uitzonderlijks gepresteerd en wordt met complimenten en affectie overladen. Hij overstemt daarmee de ooievaars met gemak. Mensen (en honden) kijken zelden omhoog, een grappig gebrek. Comfortabel ongezien kijk ik naar de vergulde hond en zijn baasje. Mijn therapeut vindt dat ik meer ruimte in mag nemen, dat ben ik met haar eens. Maar op schrift gaat dat makkelijker dan in het dagelijkse. Ik vermijd hier trouwens expres de zinsnede ‘in het echt’ want het geschrevene voelt soms echter. Weliswaar niet van vlees en bloed en weinig interactief, maar getrouwer. In het beste geval: met minder ruis op de lijn.

Soms schiet mijn ‘schrijf-ik’ mijn ‘dagelijkse-ik’ te hulp. Ik neem me het volgende voor: de eerstvolgende keer dat ik met mijn vriendin over straat loop en er wordt ons een vuile blik toegeworpen (dan volgt het homoseksuele ritueel, we kijken elkaar aan, stellen de (on)uitgesproken vraag; denk je dat hij zo naar ons keek omdat…?), laat ik een broergrote vogel meelopen. Hij schrijdt met grote passen achter ons. Zijn blik is die van een wild dier, de hoornen snavel rijkt tot halverwege zijn flodderige borst. Af en toe schudt hij zijn vleugels, krast met een oude stem. Over onze hoofden tuurt hij de verte in. De stad is van ons.

 

 


Mariken Heitman is bioloog en schrijver, voor Literair Nederland schrijft zij maandelijks een column. In 2019 verscheen haar debuutroman De wateraap bij AtlasContact.

 

 

 

Meer van Mariken Heitman