Recherche

Recensie door Hans Muiderman

Het zakboekje van het pijnboombos (1940, Le Carnet du bois des pins) van Francis Ponge – vertaald door Christian Henrikx – is een verzameling notities die stuk voor stuk pogingen (tot gedichten) zijn om het karakter van het bos in woorden uit te drukken. Ja, het pijnboombos heeft karakter, schrijft Ponge: ‘Het verwezenlijkt zich in stilte en met majesteitelijke traagheid en behoedzaamheid. Ook met gegarandeerd succes.’
De notities beginnen op 7 augustus 1940 en worden afgebroken op 9 september van hetzelfde jaar. Daarna (1941) volgt een korte briefwisseling met een vriend. Alleen daarin een verwijzing naar de oorlog: ‘…gedachten over onze eigen situatie, onze onzekerheid over wat de volgende dag zal brengen.’
Francis Ponge (1899-1988) wordt wel ‘le poète des objects’ genoemd. Zijn werk Namens de dingen (1942, Le parti pris des choses) werd onlangs in een vertaling van Piet Meeuse heruitgegeven bij uitgeverij Vleugels. Meeuse vertaalde ook Proëmia (1990, Proêmes) dat samen met Namens de dingen het bekendste werk is in het kleine oeuvre van Ponge.

Zijn teksten, korte fragmenten met veel witregels, lezen als poëtisch proza. De eerste woorden die Ponge op 7 augustus 1940 noteert, voorziet hij diezelfde middag al van commentaar:
‘(Ik gebruikte niet robuust, want dat adjectief is toepasselijker voor een andere boomsoort).’ En een paar zinnen daaronder herhaalt hij:
Robuust, is toepasselijker voor een andere boomsoort, al is die pijnboom dat toch ook, hoewel die als geen andere boom buigt zonder te knakken.’
Al vragend, soms twijfelend, onderzoekt Ponge het pijnboombos.
‘Is de pijnboom niet de boom die het meeste hout voortbrengt? Die zich om het grootste deel van zijn ledematen, om het grootste deel van zichzelf niet bekommert, die zich daar totaal niet voor interesseert, die zich alle sap onthoudt louter ten gunste van de kruin (van de groene kegel)? Vandaar de geur van gezondheid die tussen de kale stammen hangt…[..]
Je voelt je aangenaam daaronder, terwijl in de kronen iets heel harmonisch en muzikaals gaande is, iets heel zacht vibrerends.’

Direct daaronder becommentarieert Ponge wat hij geschreven heeft:
‘Het is van belang dat bij al deze uiteenzettingen (die zomaar weer bedenkelijk kunnen worden) de stam van de pijnboom duidelijk zichtbaar overeind blijft.’
Alsof hij voor zijn observaties (Ponge is een waarnemer pur sang) de juiste woorden niet kan vinden. Hij onderzoekt, zoekt naar de taal die het bos zelf ‘tot spreken’ brengt. Twee dagen later lijkt hij zijn werk, dat nog maar nauwelijks begonnen is, te willen herzien.

‘Nee!
Ik moet beslist op het genot van het pijnboombos terugkomen.’
En daarna roept hij bombastisch:
‘O, achtenswaardige zuilen, bedaagde masten!
Bejaarde zuilen, tempel van de bouwvalligheid.’

Maar hij blijft onzeker. Na zes dagen schrijven heeft hij behoefte aan een tussenstand: ‘Proberen we samen te vatten. Je hebt er:
Het gemak
a) om er te lopen:
geen lage takken
geen hoge planten
geen lianen.
Dik tapijt. Enkele rotsblokken als meubilair.

b) en om je er te bezinnen:
tempering van het licht, van de wind.
Niet opdringerige geur.
Niet opdringerige geluiden, muziek.
Gezonde atmosfeer.
Leven in zichzelf.
Zachte muzikale begeleiding, con sordino.

Gemakkelijk vooruitkomen tussen zoveel zuilen, met bijna verende stappen, op dat dikke tapijt van plantaardige haarspelden. Behaaglijk labyrint.’

Teksten om hardop te lezen. Maar Ponge is niet uit op een mooi gedicht. Hij wil met zijn woorden niet de baas zijn over het pijnboombos. Nee, zijn (taal)onderzoek moet leiden tot een taal die het bos hem als het ware ingeeft. Hij verzoekt daarom het bos: ‘Kom tevoorschijn, pijnboombossen, kom tevoorschijn in de taal. Men kent jullie niet. – Kom met jullie formulering. – Jullie zijn F. Ponge niet voor niets opgevallen…’

Maar zijn pogingen zijn niet succesvol. Hij probeert het nog in klassieke (strofische) gedichten met titels als VariantNog een, Een andere en Een aspect van het pijnboombos. Het lijkt even, door de klassieke vorm, alsof hij van zijn geloof is afgevallen. Maar gelukkig, dat concludeert hij zelf ook: ‘Dit is allemaal niet wat het zijn moet. Wat ben ik opgeschoten [..] in deze tien dagen? – Niets bijzonders voor de moeite die het me gekost heeft.’ Hij geeft niet op en blijft zich vragen stellen. Dat is zijn kenmerk.

‘Als de takken van de pijnbomen bovenin elkaar onderling respecteren, afstand blijven houden [..], zou dat dan in de aarde, met hun wortels niet net zo zijn? Zou het mogelijk zijn een bosland in zijn wortelgrond uiteen te halen zonder het gevaar elk individu daarbij te amputeren? Wie weet dat? Wie geeft me een antwoord? Ik heb het nodig om verder te kunnen met mijn recherche (cursief van mij, hm).

De vertaler heeft het woord ‘recherche’ niet vertaald en daardoor lees je dat woord zowel in het Frans al in het Nederlands. Ponge is niet alleen een onderzoeker, maar ook een rechercheur, een opsporingsambtenaar op zoek naar het DNA, de zintuigen en de taal, van het pijnboombos. Hij bekijkt het bos niet op afstand van de buitenkant, maar plaatst zich, met de taal, er middenin. Niet de mens maar juist de wereld buiten de mens staat centraal, lijkt Ponge te willen zeggen.
Met grote precisie weegt hij de woorden, keurt ze af, zoekt ze op in de Littré (Frans woordenboek, hm), verandert ze van plaats, schrapt en ordent de tekst opnieuw. Zo probeert hij de taal geschikt te maken voor het bos.
Maar uiteindelijk is hij niet tevreden met het resultaat – het voelt als een verloren strijd – en hij spreekt zichzelf aan het eind van het boekje in hoofdletters toe:

’EINDE VAN HET PIJNBOOMBOS
ERUIT NU, HET LAND OP’

Het zakboekje van het pijnboombos geeft een mooi inzicht in de wijze waarop Francis Ponge schrijft en de taal onderzoekt. Hij probeert, in zijn spel met taal, de woorden geschikt te maken voor het bos.
Doordat je als lezer kennis maakt met de ‘methode Ponge’ kan je Het zakboekje van het pijnboombos ook beschouwen als een inleiding op ander werk van de schrijver/dichter zoals op Namens de dingen. Daarin laat hij zien hoe hij met taal de dagelijkse wereld om ons heen – de natuur, de dingen – met precisie kan ontleden. In de meest eenvoudige dingen – een regenbui, de gang van een slak, een leeg sinaasappelkratje – speelt zich een spektakel af waar wij in onze onoplettendheid geheel aan voorbij gaan.
Voor wie van taal (en vertalen) houdt, van filosoferen over taal, van lezen en vooral herlezen, zijn beide bundels zeer de moeite waard.

 

 

Het zakboekje van het pijnboombos
Francis Ponge
Vertaling door: Christian Henrikx
Verschenen bij: Uitgeverij Koppernik (2018)
ISBN: 9789492313454
72 pagina's
Prijs: € 16,50
Namens de dingen
Francis Ponge
Vertaling door: Piet Meeuse
Verschenen bij: Uitgeverij Vleugels (2018)
ISBN: 9789078627449
88 pagina's
Prijs: € 21,40

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *





 

Recent

21 september 2018

Schrijven met de veer van de arend

Over 'De onzorgvuldig geketende Prometheus' van A. Gide
20 september 2018

Alleen of samen, in- of exclusief?

Over 'Vrouwen en macht' van Mary Beard
19 september 2018

Omdenken in optima forma

Over 'De olifant van de bovenbuurman' van Rijswijk, van, Roos
18 september 2018

Taal die bezinken moet en verwondering oproept

Over 'Laat de stilte' van Rui Cóias
17 september 2018

Twee meisjes en een oudere man

Over 'Twee meisjes en ik' van A.H. Nijhoff