17 juni 2010

Recensie: Zoals een ster verstand heeft van het licht – Adriaan Morriën

Recensie door: Albert Hogeweij

Recensie door Albert Hogeweij

Wee de dichter rond wie het angstvallig stil blijft na het verschijnen van diens verzameld werk. Zijn graf wordt blijkbaar weinig of niet bezocht. Het verschijnen van een kloek verzameld werk mag het leuk doen in de encyclopedie, het naleven van de dichter zelf is vaak meer gediend met een bloemlezing, bij voorkeur gekozen door een eigentijdse dichter. Rond Adriaan Morriën (1912 ? 2002) is het enige jaren stil geweest na diens overlijden. Hij verkeerde al die tijd in het voorgeborchte, maar nu, na 8 jaar, gloort er wat hoop met het verschijnen van deze bloemlezing Zoals een ster verstand heeft van het licht, gekozen en ingeleid door de dichteres Ester Naomi Perquin. Niet de eerste de beste en gelukkig ook niet iemand die je op het eerste gezicht met Morriën associeert. Deze bloemlezing van Van Oorschot staat niet op zichzelf, maar maakt deel uit van een reeks bloemlezingen van dode dichters die na hun verzameld werk wel een steuntje in de rug konden gebruiken. Ze zijn alle samengesteld door eigentijdse, springlevende dichters, die hun best doen het veelal onder de last van het Verzameld Werk bijkans bezweken oeuvre te reanimeren. Voor het voortbestaan van dooie schrijvers komt het toch vooral op gelezen worden aan. Een bloemlezing kan daarom uitkomst bieden.

Perquin voorziet haar selectie van Morriën van een prikkelende inleiding. Zij is van niet zins de dichter eeuwig gedoemd te laten wezen door zijn dirty-old-man-reputatie van liefhebber van het zwakke geslacht bij wie de dichtader al ging vloeien bij het in het vizier krijgen van vrouwelijk schoon. Want Morriën ‘is het waard om te worden losgeweekt van welke reputatie ook.’ Perquin heeft getracht haar voorkennis over Morriën uit te schakelen en zich afgevraagd ‘welke geest hij onder zijn reputatie verborgen hield’. Ze trof uiteindelijk in Morriën een dichter die alles in huis had wat zij zelf belangrijk acht voor een dichter: ‘eigenzinnigheid, humor, melancholie en bewapening’.

Ik was benieuwd wat Morriëns gedichten, waarvan de vroegste van vóór de Tweede Wereldoorlog dateren, mij, anno 2010, nog konden bieden. Zijn verzameld werk stond bij mij immers ook al wat jaren te verpieteren op een achteraf plekje in mijn boekenkast. Wat meteen treft is de openhartige en zintuiglijke toon van zijn gedichten. ‘Jij hebt mij vrijgelaten uit het dier / dat ik toen was en dat een mens zijn wou,  / de aap met zijn verlangen naar een vrouw’. De poëtische beelden worden altijd helder verwoord en goed uitgewerkt. Maar je proeft toch dat het de zinnelijkheid betreft van een noorderling, die het heeft moeten veroveren op een tegenwerkend geloof waarvan misschien nooit echt volledig los te komen valt:  ‘Niets scheidt mij van het andere einde / achter het eerste, tiende, ’t eindeloze einde, / wanneer ’t heelal terugvalt in zijn holte / en volte wordt veranderd in een leegte / zo groot dat er geen plaats meer is voor God en tijd / of voor hun onbestaanbaarheid.’

Morriën is, als introverte man,  trefzeker in zijn aarzeling. Opvallend is zijn tastzin, maar die is onlosmakelijk verbonden met zijn introspectieve geest. Morriëns zinnelijkheid is een toast op de schaarste, op de aardse kant van het sterven. Zijn toon is ernstig want niets ontziend en toch licht, want er wordt genoeg verwonderd, tijdens het op de tast gaan naar de dingen in het leven. De werkelijkheid wordt verkend door een man die niet van opgeven weet. En altijd is hij dichtbij. Soms komt dat wat klefferig over, als hij bijvoorbeeld een zekere ‘jij’ aanspreekt, zoals in het eerste gedicht van deze bloemlezing: Verklaring

‘Ik kan het onbegrijpelijke niet begrijpelijk maken.
Ook niet als ik het andere namen geef.
Ik kan slechts zeggen dat het onbegrijpelijk is
en dat het al begint, hier bij jouw hand
die vóór je op de tafel ligt,
de nagels een herhaling van dezelfde vraag,
en bij je oog dat groter dan de hemel is,
met sterren even onontdekt gebleven
als die wij niet zien maar vermoeden
achter de nevels van de melkweg.
Ik leef in raadsels en zie geen verschil
tussen jouw wimpers en het licht.’

Maar Morriën kent ook ander palet, zoals in Kain

‘De hand waarmee ik hem sloeg
is mij dierbaarder geworden.

Als ik mijn vrouw en kinderen streel
besef ik dat ik ze kan doden
en dat een toeval het steeds weer verhindert.

Iedere liefkozing een begin van moord,
elk woord van liefde een bedrieglijke verspreking.’

De toon van dit gedicht neutraliseert de streling en de liefkozing. (woorden waar ik het soms wat benauwd van krijg).

Vaak betoont Morriën zich in zijn gedichten een scherp observator met een ingehouden sentiment : ‘Laat haar maar struikelen. / Reken het haar niet aan. Ook de steen / waarover zij struikelt is nog van haar. / Zij heeft hem zelf gelegd met haar onzekere / handen. Misschien wilde zij vallen / en is haar dat nu ook weer niet gelukt. (…)’ Doet denken aan de droge humor van de vroege Beckett.

De in zijn geheel opgenomen reeks Passie uit de bundel Moeders en Zonen uit 1962 is niet enkel van belang vanwege de afrekening van Morriën met het calvinistische geloof uit zijn jeugd. Het is juist in deze reeks van tien gedichten dat de dichter een staalkaart van zijn kunnen geeft. Hierin verrast hij het meest. In de meeste gedichten van de bundel hoor je zijn tedere maar ook temerige stem doorklinken, maar bij deze gedichtenreeks hoort een heel andere stem. Scherp en niets ontziend, maar toch betrokken bij het waarneembare, zoals in dit titelloze gedicht uit die reeks.

‘Bespaar mij de koolmonoxyde
van kachels die te lang gesloten bleven
uit zuinigheid die niet van uitverkiezing
te onderscheiden viel,
de stank van kleren die verschroeiden,
de zolder zonder slaap, met wasgoed dat niet wilde drogen,
de naaktheid van mijn moeder tussen kin en sleutelbeen,
waarneer het naaktheid werd door een betovering,
de grote tanden van mijn broer, de rode ellebogen
van mijn zuster, de dooraderde grootmoedersogen
die in een blinde toekomst zagen,
waarvan gezegd werd dat zij door de dood
groot en vol nieuwe ogen kwam te staan.

Voortaan hing Jezus elke zondag aan het kruis.
Zijn dood doortrok de smaak van kaas en margarine.
De geur van koffie zweefde door de ondergang der wereld.
Mijn vader zei ‘de hemel’ en ik dacht, in huis, aan thuis.’

Of neem een ander titelloos gedicht uit dezelfde reeks:

‘Mijn vader rook naar teer,
een zeegeur met gedachten aan het land,
een geur die kruipen deed en zweven door mijn boeken,
waarnaar ik groef met stompe nagels in het zand.

Mijn moeder baarde stervend, wij vernielden haar te tere schoot:
’t hoofd van mijn oudste broer was haar te groot,
mijn jongste broer zat in haar vastgestoeid,
werd als een keizer uit haar losgesnoeid.

Zij lachte na die laatste dood
en zat in ’t licht, zelf bijna licht
en stervensgroot.

Ik rook de teergeur op mijn vaders wang.
Ik rook teer aan zijn kleren, in zijn bed
en als hij ’t huis verliet rook ik het in de gang.
Naar teer rook ook zijn drek,
naar teer en naar sigarenrook.

En als hij niesde, niesde hij te lang.’

In deze gedichten valt het meest te bewonderen.

Maar ook op andere plaatsen trof ik mooie regels aan. In het enigszins aan Achterberg refererende gedicht Nachtwaak bijvoorbeeld:

‘Reeds bijna ingeslapen
ontwaak ik met een schok
omdat ik mij jouw dood herinner.

IJlings keer ik terug
uit werelden waarin ik het vergeten wilde
tot deze ene wereld die bij nacht
en ontij jouw afwezigheid
herhaalt en in herinnering houdt.

De vage dingen om mij heen, ’t scherpe besef
dat van ons beiden ik het ben die achterbleef,
en de bedrieglijkheid van dat besef,
herstellen snel de afstand tussen ons.’

Of in een gedicht als Broederschap

‘Soms overvalt mij, alleen,
of in gezelschap, de angst
die ons allen verbroedert,
verbroedert en eenzaam, radeloos maakt.
Ineens lijkt alles postuum:

de boom, en de bladeren aan de boom,
de verkleurende lucht, de geklede mensen
en zelfs de verheven blankheid
van je zo innig bewonderde hals.’

Het plotse besef van vergankelijkheid dat eigen moet zijn aan wie zich met huid en haar aan het leven gehecht weet, verwordt bij Morriën nooit tot een klacht. Ook de verzen over het ouder worden, wat hem zwaar valt, hebben een onversaagde toon en zijn geen afrekening met die staat van leven. Het is aandoenlijk om zijn naakte ervaringen van het ouder worden te lezen. De laatste twee gedichten in de bundel zijn daarom ook waard geciteerd te worden.

Onherbergzaamheid

‘Mijn hond let op heel andere dingen dan ik
omdat hij snuffelt en bijna niet kijkt.

Waarom heb je mijn brieven niet beantwoord?

De zomer is voorbijgegaan: warm, kil,
winderig, geregeld regenachtig.

Van sommige dagen heb ik hartstochtelijk gehouden.
Ik kon geen afscheid van ze nemen.
Ik zag ze gaan zoals je een vrouw ziet vertrekken,
haar naar de trein brengt, haar koffer voor haar draagt,
een tijdschrift voor haar koopt, haar nawuift
op een leegstromend perron, versteend door de tijd.

In de lange donkere straat drie jonge negers
die mij wel zien maar niet doodslaan.’

Die rijpe toon van de levensavond staat hem goed, met nog wat sarcasme aan het slot.

Ongeduld

‘Op straat, midden in het verkeer, hoor ik mijn naam roepen.

Ik zie om mij heen of er iemand is die ik ken.
Nergens een gezicht dat ik eerder heb gezien.
Geen mond waarvan de glimlach mij vertrouwd is,
geen oog dat blinkt van vriendschappelijk licht.
Het is zomer, drie uur in de middag, heet.
De lucht is blauw als de binnenkant van een mossel.
De bomen staan doodstil in hun afgerasterd perk.
Auto’s vliegen voorbij, mensen praten en lachen
als in de pauze van een schouwburg of bij een brand.
Wie roept mij? Welke dode toont ongeduld
mij te ontmoeten, op een afgesproken plek
in een onderaardse stad op een dag zonder einde?’

Aan deze prachtige beelden valt weinig toe te voegen. Je ziet het voor je als betrof  het een visioen van een toekomstige herinnering.

Perquin had de moed Morriëns reputatie weg te denken en de dichter van een nieuwe bijsluiter te voorzien, zodat zijn gedichten een andere uitwerking tegemoet konden gaan. Deze bloemlezing is in ieder geval een ‘Anschlusstreffer’ in de strijd tegen de vergetelheid. Er is nog hoop want de eeuwigheid is nog niet voorbij.

Zoals een ster verstand heeft van het licht

Auteur: Adriaan Morriën
Gekozen en ingeleid door Ester Naomi Perquin
Verschenen bij: Uitgeverij Van Oorschot
Prijs:  € 12,50

Recensie: Zoals een ster verstand heeft van het licht
Adriaan Morriën
ISBN: 9789028241657

Meer van Albert Hogeweij:

20 oktober 2017

Soepel en licht vallende poëzie

Over 'Wax Hollandais' van Abdelkader Benali
18 mei 2017

Poëzie gefascineerd door het zijn, het aanwezig zijn.

Over 'Gebogen planken' van Yves Bonnefoy

Recent

17 november 2017

Uitzichtloos leven in Unthank / Glasgow

Over 'Lanark' van Alasdair Gray
15 november 2017

Een portret in stukjes

Over 'Waarom ik mensen niet in mootjes hak' van Renske de Greef
14 november 2017

Diepe emoties in weloverwogen zinnen met originele beelden

Over 'Binnenplaats' van Joost Baars
13 november 2017

Een aaneenschakeling van mislukkingen?

Over 'We haten elkaar meer dan de Joden' van Els van Diggele
9 november 2017

Verlangen in vele variaties

Over 'Het raadsel van de liefde' van Andre Aciman

Verwant

17 juni 2010

Teaser met een laag soortelijk gewicht

Over 'De vrouw van een ander en de man onder het bed ' van Adriaan Morriën