Yves Namur – Wat ik mogelijk heb gedaan

Metafysische poëzie voor de fijnproever

Recensie door Albert Hogeweij

Met de bloemlezing Wat ik mogelijk heb gedaan verschijnt voor het eerst in onze taal een poëziebundel van de Franstalige Belg Yves Namur (1952), geboren in Namen (in het Frans Namur). Hoewel Yves Namur al vanaf begin jaren zeventig gedichten publiceert, gaat de inmiddels veel geprezen en bekroonde dichter – die ook huisarts en uitgever is – zelf liever aan zijn vroege werk voorbij. Hij meent dat omstreeks de vroege jaren negentig zijn gedichten meer de toon van ‘denkende poëzie’ zijn gaan ademen, waarmee hij zich schatplichtig rekent aan dichters als Rilke, Celan, Jabès en Juarroz. De door Mysjkin vertaalde gedichten bestrijken dan ook deze rijpere fase van zijn poëzie, vanaf 1992 tot heden. Poëzie die het best als metafysisch valt te karakteriseren, met zinnen die het wezen der dingen bevragen, een drempel willen zijn naar een andere, verborgen staat van ‘zijn’.

De meeste gedichten drijven op woorden met een sterke symboollading als ‘engel’, ‘roos’, ‘drempel’ en ‘sporen’. Er zitten verwijzingen in naar door Namur bewonderde dichters als het hierboven genoemde kwartet, maar ook naar o.a. Hölderlin, Pessoa en Bonnefoy, en de pre-socratische filosoof Heraclitus alsmede naar huidige tijdgenoten. In zijn denkende poëzie treedt Namur voortdurend in dialoog met die andere poëzie. Voor het overige staan de gedichten meer in verticaal contact met een metafysische wereld ‘waar de dingen zijn wat ze zijn’. En als er al horizontaal wordt overgestoken dan is het ‘Daar / Aan de overkant van de dingen, / Daar, op de overoever, // Waar ik niet was, / Waar ik naar mezelf zocht / En nog altijd zoek naar mezelf.’ Vindt er al een ontmoeting plaats met een ander wezen, dan betreft het bij voorkeur de naamloze ‘Ander’:

‘Wanneer het gedicht spreekt,

Verschijnt de Ander
Die zich ophoudt in een onbestendig oord
Waar enkel de uitwissing bestaat.’

‘Het gedicht moet inspelen op de wisselwerking tussen het Ene en het Veelvoudige’ heeft Namur ooit toelichtend op zijn werk verklaard. De wederzijdse wisselwerking tussen het ik en de dingen om hem heen is de spil waaromheen zijn zinnen zich bevragen. ‘De onzichtbare draad die ons doorkruist.’ Het gedicht zou te situeren zijn ‘in die veranderlijke ruimte tussen twee uitersten. Alsof het gedicht ontstaat in de tussentijd, de tussenruimte tussen in- en uitademen.’ De vindplaats van Namurs poëzie beweegt mee tussen twee ogenschijnlijk tegengestelde, broze bewegingen in: ‘Tussen de uitwissing / En de adem van de uitwissing.’ Een wisselwerking die ook een uitwissing wil zijn en vice versa, alsof het uitwissen van het ene het spoor van het andere oproept.

‘Er was eindelijk licht.

De uitgesproken naam
Was naar het onuitspreekbare teruggekeerd.

Het water was naar de bron teruggekeerd
En het woord was de naam van de bron ingegaan.

Enkel

De leegte kwam
Iets naderbij.’

In dit gedicht dat een gezuiverde staat toont, beleeft het woord het nimmer te bereiken ideaal van door te dringen tot de bron. Niet echter een god, maar slechts leegte komt daarmee iets naderbij. Woorden die ‘mogelijk enkel schijngedaanten van woorden zijn’ stellen zich bij Namur voortdurend ten doel de ‘naam van de dingen [te] doorkruisen / Tot de diepere naam van de dingen toe.’ Het eeuwige échec daarvan verleidt deze dichter echter niet tot neologismen. Liever dan zich te buiten gaan aan een antwoord, houden deze zinnen de vragen in ere. De woorden blijven concreet en helder. Het herhalen van bepaalde, betekenisvolle woorden houdt de woordenschat in deze gedichten beperkt. Op het eerste gezicht oogt deze poëzie daardoor misschien wat kunstmatig, ietwat abstract. Typerende strofen zijn bijvoorbeeld:

‘Wat kun je verder verlangen van mijn stem
En de echo van mijn stem.

Wanneer mijn stem niets anders kan zijn
Dan de echo van iets van niets?’

Deze geabstraheerde stoffering gepaard aan afwezigheid van rechtstreekse eigentijdse toespelingen verlenen deze poëzie een tijdloos stempel. Het vergt wel een meer bezonken leeshouding die de zinnen proeft en laat resoneren, zoals men een slok wijn niet meteen doorslikt maar nog even fijnproeft op de tong. De medemens mag in Namurs oeuvre sterk ondervertegenwoordigd zijn, de existentiële vragen die erin gesteld worden, verlenen aan deze gedichten een warme, menselijke toon: ‘Soms vraag ik me af wat te doen, wat te denken / Of gewoon hoe te leven, / Als de schaduw me plotseling zou verlaten / Voor andere talen of andere lichamen dan die van mij. // Wat te doen met die onmetelijke leegte, / En hoe die te vullen?’ Daarbij lijkt Namur zich van zijn eenkennige soort poëzie terdege bewust waar hij schrijft: ‘Maar jij, dichter van het petieterige en het nietige, / Zul je op een dag waarlijk weten wat te leven is, // Eindelijk te leven buiten het gedicht?’ Zich rekenschap gevend van de kwetsbare staat van het dichterschap, biecht hij op: ‘(…) dit gedicht waarin ik waarachtig geen afspraak heb, / Niet met de liefde, noch met het rijm.’

Moeilijk uit te maken welke waarde Namur uiteindelijk aan het woord toekent: ‘Bestaat het woord waarlijk in de wereld? (…) Heeft het een stoel om op te zitten / En een andere om zich van de grond te verheffen?’ In ieder geval vormen woorden pasmunt om de wereld om ons heen te verkennen. Niet bij machte het wezen der dingen te onthullen, legt het hooguit het Niets, of ‘sporen’ van het Niets bloot. En zo kan een gedicht ons ontvankelijk maken voor de les ‘van het duister en het ondoorgrondelijke’. Dus jazeker, het gedicht kan iets te weeg brengen, al is het maar het in kaart brengen van de ‘leegte’. Een titel van een recente bundel van Namur luidt dan ook veelbetekenend: Een spoor vonkelt in de leegte.

Deze bloemlezing mag een periode van bijna dertig jaar omvatten, de rustige, gelaten toon verraadt eenzelfde vaste hand van dichten. Welke spanningen Namur hiertoe moet hebben overwonnen, laat zich moeilijk raden. Speelde deze poëzie een type voetbal, dan zou het vooral op balbezit spelen. Er worden weinig risico’s genomen, maar er wordt wel een fraai, uitgebalanceerd samenspel geboden. Deze bundeling, die de vertaler van een verhelderend nawoord voorzag, is een feestmaal voor de fijnproever, de langzame lezer, wiens ‘dorst naar het Duistere’ op een heldere wijze wordt gelest.

 

Omslag Wat ik mogelijk heb gedaan - Yves Namur
Wat ik mogelijk heb gedaan
Yves Namur
Vertaling door: Jan H. Mysjkin
Nawoord door: Jan H. Mysjkin
ISBN: 9789493186293
132 pagina's
Prijs: € 23,95

Meer van Albert Hogeweij:

Recent

16 september 2021

De kracht van fictie

Over 'Het leugenlabyrint' van Paul Binnerts
15 september 2021

Leren van een vogel hoe te leven

Over 'Vlieglessen' van Charlie Gilmour
14 september 2021

Het beste is je over te geven aan de fantasie van de schrijver

Over 'Arc ' van Richard Osinga
13 september 2021

Puzzelen aan een zondvloedverhaal

Over 'Het Drogsyndicaat' van Mischa Andriessen
10 september 2021

Liefde voor het verborgene en mysterieuze in de natuur

Over 'Vesper' van Anne Broeksma

Verwant