Virginia Woolf Lieke Marsman Mieke van Zonneveld Deryn Rees-Jones – Over ziek zijn

Een kleine veldtocht over ziekte in de literatuur

Recensie door Helena van Dijk

Gezien het feit dat een ieder van ons vroeg of laat, persoonlijk of van dichtbij te maken krijgt met ziekte, is het als je erover nadenkt bijzonder dat ziekte als literair thema niet even vaak voorkomt als bijvoorbeeld liefde, jaloezie en macht. Helemaal ongebruikt is het thema evenmin, getuige recente titels als Welkom in het rijk der zieken van Hanna Bervoets, Veldheer Banner van Marie Kessels en Cliënt E. Busken van Jeroen Brouwers dat de Libris Literatuurprijs 2021 won. Vanwege de Covid-19 pandemie zijn ziekte en de consequenties daarvan onderwerp van gesprek geworden in alle lagen van de maatschappij. De essaybundel Over ziek zijn verschijnt dus op het juiste moment.

Uitgeverij HetMoet heeft het door de Britse schrijfster en feminist Virginia Woolf (1882-1941) geschreven essay On being ill, dat bijna honderd jaar geleden voor het eerst verscheen, uitgebracht in een vertaling van Monique ter Berg. Naast het werk van Woolf zijn er in de bundel bijdragen van drie hedendaagse schrijvers te vinden. De in 1968 geboren Britse dichter Deryn Rees-Jones schreef het voorwoord (ook vertaald door Monique ter Berg), de Nederlandse schrijver en dichter Lieke Marsman (1990) en de eveneens uit Nederland afkomstige letterkundige en dichter Mieke van Zonneveld (1989) beschrijven hoe het is om getroffen te worden door ziekte en welke weerslag dat heeft gehad op hun leven.

In het voorwoord van Over ziek zijn beschrijft Deryn Rees-Jones hoe ze na haar besmetting met Covid-19 veel herkenning vond in het werk van Woolf, en dan met name in het essay On being ill. Ze vergelijkt haar langdurige tijd van ziek zijn met een ‘logé die niet alleen mijn ruimte innam maar ook mijn onmacht aan het licht bracht’ en wordt er al lezend aan herinnerd dat er eigenlijk geen scherp onderscheid bestaat tussen ziek en gezond. We zijn immers allemaal stervelingen. 

Ongekende dimensies

Na dit prachtig geschreven voorwoord word je als lezer vervolgens omvergeblazen door de tekst van Virginia Woolf, die in haar eerste volzin van een halve pagina lang uiteenzet dat ziekte ongekende dimensies in ons leven kan losmaken. In de literatuur is daar volgens Woolf (te) weinig aandacht voor; schrijvers hebben het hoofdzakelijk over het doen en laten van de geest, terwijl ‘de grote oorlogen die het lichaam met de geest als zijn slaaf in de eenzaamheid van de slaapkamer tegen een koortsaanval of opkomende zwaarmoedigheid voert, worden genegeerd.’ Woolf schreef het essay in 1925, tijdens heftige periodes van allerlei lichamelijke en psychische kwalen. Ze schrijft in diezelfde tijd ook aan een aantal romans waarin ze de thema’s ziekte en de ruimte die ziek zijn in een leven teweegbrengt aansnijdt. Volgens Woolf maakt ziekte het bijvoorbeeld mogelijk om ‘in een gedicht te kruipen’, omdat ziek zijn bij het lezen en waarnemen een zintuiglijke reactie uitlokt. Daarnaast gaat ziekte volgens haar samen met een kinderlijke openhartigheid.

Het leven van Woolf werd enorm gekleurd door ziekte en lijden, zowel fysiek als psychisch; ze had bijvoorbeeld op haar dertiende al voor het eerst een zenuwinzinking. Met de kennis van nu wordt gesteld dat ze waarschijnlijk een bipolaire stoornis had, ontwikkeld als gevolg van seksueel misbruik in haar jeugd. Deze toen nog onbekende ziekte kreeg zozeer de overhand dat ze in 1941 zelfmoord pleegde. Tijdens periodes van ziek zijn wendde Woolf zich bij voorkeur tot de dichters. Patiënten hebben volgens haar immers geen zin in de lange ‘veldtocht’ die proza vergt.

De Hel

Lieke Marsman schreef het essay Hoe gaat het met je? Ze beschrijft daarin hoe ze als jonge twintiger na een jaar van toenemende klachten geconfronteerd wordt met de diagnose van een kwaadaardige tumor in haar schouder. Haar eerste reactie daarop is opluchting; er is echt iets aan de hand. Vervolgens beschrijft ze hoe ze na haar operatie veel terugdenkt aan haar jeugd en zich verdiept in boeken (van Audre Lorde en Susan Sontag) waarin persoonlijk en emotioneel respectievelijk extreem rationeel omgegaan wordt met de diagnose kanker. Het stelt haar voor de vraag hoe zij zich gaat verhouden tot haar ziekte. ‘Zevenentwintigjarige lijven horen […] niet ziek te zijn, en als ze al ziek zijn, dan vanwege een of andere tropische ziekte opgelopen tijdens een wereldreis. Ervaar ik kanker als De Hel omdat ik dat echt zo voel of omdat dat nu eenmaal de reputatie van kanker is, al helemaal voor wie het op jonge leeftijd krijgt?’ 

Ze ervaart haar herstelperiode als eenzaam en vindt afleiding in het beoefenen van maatschappijkritiek. Haar conclusie is dat in de bijstand belanden evenmin iets met pech te maken heeft als kanker krijgen. Ze beschrijft haar angsten voor het terugkomen van de ziekte, de voor haar noodzakelijke illusie dat ze invloed kan uitoefenen op haar ziekteproces, de treurige keerzijde van mantelzorg en het belang van de wezenlijke vraag: hoe gaat het met je?

Niet de bedoeling

In het laatste essay Gods ruïne van Mieke van Zonneveld (1989) kijkt de schrijfster jaren later terug op de periode na de diagnose van acute leukemie die ze op haar eenentwintigste kreeg. De feiten kan ze feilloos opdreunen. De emotionele achtbaan waarin ze na de diagnose terechtkwam kan ze moeilijker reconstrueren, alhoewel ze in het ziekenhuisbed steun vindt in haar Bijbelvaste opvoeding. ‘Wat mij troostte was een gedachte die op het eerste gezicht niet troostend lijkt. Ik meende dat de dood niet alleen iets akeligs was, met name voor nabestaanden, maar ook iets verkeerds. Het feit dat iedereen sterft – de grootste zekerheid die we hebben – leek me even onomstotelijk als ongewenst. Het leek me niet de bedoeling, althans, oorspronkelijk niet. Het moest het gevolg zijn van een val in ongenade en nu liepen we allemaal rond in een verkeerd want sterfelijk lichaam als een herinnering aan die val.’ Ze gaat eerbied voelen voor haar lichaam, ook al verkeert het in een erbarmelijke toestand en is het vervallen tot een ruïne. Ook Van Zonneveld ervaart steun in de literatuur wanneer ze op zoek gaat naar het thema vreugde, in de Bijbel en in werken van Chesterton, C.S. Lewis en Dostojewski. 

‘We read to know we are not alone’. Dit bekende citaat, toegeschreven aan de Iers-Britse schrijver C.S. Lewis, is op veel boeken van toepassing, maar in het geval van Over ziek zijn biedt de quote een extra dimensie. Tijdens de eenzame ervaring die ziekte vaak is kun je namelijk, hoewel lezen een solitaire bezigheid is, toch in ‘gesprek’ blijven met anderen, verbindingen leggen en daarin vrijheid ervaren, zo blijkt uit de essays. Als er al een minpunt genoemd zou moeten worden van Over ziek zijn, dan zou het de geringe omvang van het boek kunnen zijn; het telt slechts een krappe tachtig bladzijden. Indachtig de voorkeur van Woolf om zich bij ziekte bij voorkeur niet te wagen aan de ‘veldtocht’ die een roman kan zijn hoeft de omvang echter geen nadeel te zijn. Het is zeer wel mogelijk dat lezers dezelfde afleiding en troost in dit werk zullen vinden die de verschillende schrijfsters van de essays op hun beurt ook gezocht en gevonden hebben in de literatuur.

 

Omslag Over ziek zijn  - Virginia Woolf Lieke Marsman Mieke van Zonneveld Deryn Rees-Jones
Over ziek zijn
Virginia Woolf Lieke Marsman Mieke van Zonneveld Deryn Rees-Jones
Vertaling door: Monique ter Berg
Voorwoord Deryn Rees-Jones
Verschenen bij: uitgeverij HetMoet
ISBN: 9789083018386
100 pagina's
Prijs: € 20,99

Meer van Helena van Dijk:

Recent

27 september 2021

Duitse humor

Over 'Het eigenlijke' van Iris Hanika
24 september 2021

Meesterlijke novelles

Over 'Vaal paard, vale ruiter' van Katherine Anne Porter
22 september 2021

Een duivelskind dat een spoor van destructie achterlaat

Over 'Exces' van Peris Bekkering
21 september 2021

Eens kijken hoe het met God gaat

Over 'God onder de mensen' van Toon Tellegen
20 september 2021

Subtiele metaforen en een poëtisch taalgebruik

Over 'Een Duitse fantasie' van Philippe Claudel