Richard Flanagan – Recensie 'Verlangen'

Over Engelse en Tasmaanse hartstocht

De Tasmaanse Flanagan noemt dit boek geen historische roman, maar hij liet zich wel ínspireren door bepaalde personen en gebeurtenissen uit het verleden, zoals Charles Dickens en een verdwenen pool-expeditie van John Franklin. Het verhaal speelt zich behalve in Londen af op de eilanden rond en op Tasmanië in de tijd van de kolonisatie en de kerstening van de Aboriginals (1850).
Hoofdpersoon van de tweede verhaallijn is het meisje Mathinna, dochter van een stamhoofd, die door de regent Robinson wordt gekaapt, nadat een eerdere verzoeningstocht op niets is uitgelopen. Robinson neemt haar in een groep gevangengenomen Aboriginals mee naar Flinders eiland, geeft haar een christelijke naam en een dito opvoeding. Later wordt ze opgemerkt door Jane, de vrouw van John Franklin die tussen de poolexpedities door het eiland bestuurt. Jane, die zelf geen kinderen kan krijgen, adopteert het meisje, maar mag van zichzelf geen enkele affectie tonen. Later raakt ook gouverneur John Franklin van het levendige meisje begeesterd, zozeer dat hij zijn werk verwaarloost en liever met haar vogels gaat vangen. Hij krijgt daardoor de kolonisten op Tasmanië tegen zich, wordt ontslagen en begeeft zich weer op expeditie.

In de verschillende hoofdstukken worden fragmenten over Dickens en over Mathinna afgewisseld. De schrijver zegt in het nawoord dat hij ontdekte dat hun levensverhalen met elkaar verbonden waren. Hij kreeg daardoor het idee ‘van een meditatie over hartstocht ? de prijs van het verdringen ervan, het belang en de invloed ervan bij menselijke betrekkingen.’ Dat, en niet de geschiedenis, is het ware onderwerp van Verlangen.
Ik zet vraagtekens of Dickens’ bandeloze hart, het verlangen van Jane naar een kind en de magische wereld van de Aboriginals die door de Engelsen op een vreselijke manier van hun cultuur werden beroofd, onder één noemer gebracht kunnen worden.
De Engelse titel Wanting wordt mijn inziens niet adequaat vertaald door het fletse Verlangen.

Toch heb ik zeer genoten van de magische sfeer in het boek. Het was boeiend om in de huid te kruipen van Charles Dickens, die zijn huwelijk vergeleek met het tevergeefs vinden van een doorgang voor de doorvaart langs de zuidpool, ‘een bevroren kanaal naar liefde, dat altijd voor hem lag en waar geen doorgang mogelijk was.’
De afstand wildheid en beschaving bestond volgens hem in de mate waarin we overgaan van lust naar logisch denken; zijn leven was een toonbeeld van het beheersen van hartstochten; die uitte hij wel in zijn werk. Hoewel hij bang was dat zijn werk zijn ziel zou verteren, liet de hartstocht zich er toch niet onder krijgen.
‘En hij, een man die een leven lang had geloofd dat toegeven aan begeerte het kenmerk van een wilde was, besefte dat hij het verlangen niet meer kon negeren.’
Ook zeer de moeite waard waren de beginhoofdstukken over de goedbedoelde maar vergeefse pogingen van Robinson om het inheemse volk te verbeteren. De regent die eerder timmerman was, zocht tijdens het schrijven in zijn dagboek naar woorden, ‘die in de juiste vorm konden worden gegoten, zoals hij in een ander leven hout in de juiste vorm had gebogen en gewrongen. Hij zocht naar een serie woorden die, als een plank, een bedekking kon vormen voor een of andere onverklaarbare maar beschamende vergissing.’ Hij kon er namelijk niet bij dat er zoveel Aboriginals dood gingen in de kampen waarin ze onderdak en goed voedsel kregen.
En dan heb ik het nog niet eens over Mathinna die in haar leven veel ellende meemaakt.
Ook als we met onvergelijkbare grootheden te maken hebben en dat het uitgangspunt misschien niet klopt, blijven de verhalen vol magie een prachtige sfeer uitstralen.

Door Rein Swart

Richard Flanagan, Verlangen. Anthos, paperback, 288 p., € 19,95. Vertaald door Ankie Blommesteijn.

Omslag Recensie 'Verlangen'  -  Richard Flanagan
Recensie 'Verlangen'
Richard Flanagan
ISBN: 9789041414700

Recent

22 februari 2018

Boek van een ramp

Over 'Een muur van water' van Teuntje de Haan
19 februari 2018

Spiegels van de tijd

Over 'Klok zonder wijzers' van Carson McCullers
16 februari 2018

Een moeder die van voetbal houdt

Over 'Geen kunst' van Péter Esterházy
14 februari 2018

Gedenkteken in woorden

Over 'Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken' van Arjen Van Veelen
13 februari 2018

Rauwe en niets verhullende gedichten

Over 'Mammie' van Ronelda Kamfer

Verwant

Portretten van gewone joodse lieden, uit het leven gegrepen Deze Jiddische verhalen komen voornamelijk uit de bundels ‘Treinverhalen’, waarin reizigers in de derde klasse hun levenservaringen uitwisselen en uit ‘Monologen’, waarin ? zoals duidelijk mag zijn ? één persoon het woord voert. De verhalen spelen zich af aan het begin van de vorige eeuw in het toenmalige Rusland, waar pogroms tegen de joden geen uitzondering waren. De schrijver wil het leven treffen en zoals hij zelf ironisch opmerkt: geen zoete romantiek schrijven zoals onze helden in Jiddische prachtromans doen. ‘Mijn muze is arm maar wel vrolijk,’ luidt zijn motto. In de verhalen figureren veel handelaren. In het openingsverhaal wacht een verstrooide en berooide makelaar op zijn trein en zet zich op een bank naast een hoogwaardigheidsbekleder met een bijpassend hoofddeksel. De makelaar valt in slaap en schrikt wakker als de trein op punt van vertrekken staat. Hij is zijn hoed kwijt en zet per abuis het bijzondere hoofddeksel op, waarna hij tot zijn verbazing door de conducteur en zijn medereizigers met veel egards wordt bejegend. Sommige verhalen ontroeren, zoals dat over joden die in het verre Rusland begaan zijn met de Franse Dreyfus; een ander verhaal is actueel, zoals dat over een dokter die niet naar een patiënt luistert en meteen een medicijn wil voorschrijven. De taal is verrijkt met joodse termen en uitdrukkingen zoals: ‘En van joods medelijden krijg je stroeve tanden, nebbisj.’ De sfeer wordt versterkt door de vertrouwelijke toon: ‘En in het winkeltje van mijn vrouw (mijn vrouw heeft namelijk een winkeltje)…’ of door zijdelingse opmerkingen zoals in: ‘Hij heeft zijn handen in zijn zakken en hij kijkt een beetje scheel. God in de hemel, denk ik, bezit dat een miljoen? Maar ja, probeer maar eens met God te redetwisten.’ Maar ook door regelmatige toevoegingen als ‘hij zei gezegend’ of ‘moge het boze oog niet over hem komen’. In veel verhalen komen steeds dezelfde stoplappen voor. ‘Ik ben echt zo klaar,’ zegt de eerdere genoemde patiënt steeds tegen de dokter en in een ander verhaal zegt een vrouw steeds: ‘U weet wat ze van vrouwen zeggen: ze kletsen je de oren van je kop.’ Of een man, die elke gedachtegang afsluit met: ‘Maar hoe kom ik daar nou op?’ Eerst is het allemaal heel vermakelijk, zoals het verhaal over een schrijver die gek wordt van het gezeur van een jongeman die het niet kan uitstaan dat zijn vrouw altijd heel vrolijk wordt van het bezoek van een jonge dokter. De jongeman blijft de schrijver maar aan zijn kop zeuren of hij nou wel of niet moet scheiden en als de schrijver ten slotte in woede ontsteekt en hem toeschreeuwt dat hij inderdaad maar moet gaan scheiden merkt hij dat hij nog meer van slag is dan de jongeman en dat de rollen min of meer zijn omgedraaid. Hier is het gebrek aan plot niet erg, maar gaandeweg gaat dat toch tegenstaan. Het wordt allemaal een beetje hetzelfde, met steeds weer kolderieke uitweidingen; te veel verhalen kennen geen einde zoals het relaas over een joodse man die in de trein onder het anti-semitische Bessarabische Nieuwsblad ligt te slapen en bij ontwaken twee dubbelgangers ontwaart, waarop ze samen een liedje inzetten. De lezer van tegenwoordig is te verwend om genoegen te nemen met zo’n kneuterige sfeer, maar de volkse portretten, die oude volksziel, vind je in dit boek als een antiekstuk nog terug. Mooi is het titelverhaal, dat meteen ook het langste is, over een vader die heel blij is met zijn zoon die op het gymnasium studeert en later dokter zal gaan worden, maar dat een heel andere wending neemt. Onvergetelijk is ook het verhaal over een vrouw die voedsel verkoopt in de trein en zich boos maakt over haar concurrent die ten slotte haar echtgenoot blijkt te zijn. Als ik er zo op terug kijk zie ik hoe sterk het beeldend vermogen is van de schrijver, die het pseudoniem Vrede zij u heeft aangenomen.

Over 'Recensie 'Een lot uit de loterij' ' van Richard Flanagan