Uwe Timm – Mijn broer bijvoorbeeld

Indringend familieportret blijft nog lang bij

Recensie door Isabelle van den Heuvel

Het is een bekend genre in de Duitse literatuur, familiegeschiedenissen waarin schrijvers op zoek gaan naar het oorlogsverleden van broers, vaders en grootvaders. In Mijn broer bijvoorbeeld (herdruk van de in 2004 verschenen versie), onderzoekt schrijver Uwe Timm (1940) de beweegredenen van zijn zestien jaar oudere broer Karl-Heinz om zich vrijwillig aan te melden bij de Waffen-ss. Onvermijdelijk dringt de vraag zich op: was zijn broer, lid van de Totenkopfdivision, ‘goed’ of ‘fout’ en bestaat er wel zo’n scheidslijn?

Het boek opent met een herinnering. De auteur is een kleuter wanneer hij uit de tuin de keuken binnenkomt en zijn broer ziet staan, waarschijnlijk gekleed in Waffen-ss uniform. Karl-Heinz tilt hem op en voor de jonge Uwe voelt het alsof hij zweeft. Het is de enige herinnering aan een broer die niet veel later, slechts negentien jaar oud, sterft aan het oostfront. Toch is Karl-Heinz gedurende Timms hele jeugd zijn ‘metgezel geweest, afwezig en toch aanwezig, in het verdriet van mijn moeder, in de twijfels van mijn vader, in de vage opmerkingen die mijn ouders tegen elkaar maakten.’ 

Blauwbaard

Pas na de dood van Timms ouders en zus – van iedereen die zijn broer heeft gekend – lukt het hem om over zijn broer te schrijven. Ook dan pas durft hij voor het eerst diens oorlogsdagboeken te lezen. Eerdere pogingen de dagboeken uit te lezen deden hem ‘angstig terugdeinzen’, mooi vergeleken met zijn angst als kind om het sprookje van Blauwbaard uit te lezen, bang voor wat die op zijn kerfstok zou hebben. Of dergelijke gruwelijkheden ook voor Karl-Heinz gelden komt Timm niet te weten. Wel zijn er aanwijzingen via cryptische dagboeknotities als: ‘grote luizenjacht’, ’75 m rookt Ivan sigaretten, voer voor mijn MG’ en ‘veel buit!’

Uwe maakt zich een voorstelling van ‘die Rus, die Ivan’ en in dit soort empathische overpeinzingen zien we een meesterverteller aan het werk. ‘Een jongeman die net een sigaret had opgestoken – zijn eerste trek, het uitblazen, genieten van de rook die voor de volgende trek van de brandende sigaret opstijgt. Waar zal hij aan gedacht hebben? Aan de aflossing, die niet lang meer op zich kon laten wachten? Aan de thee, een stuk brood, aan zijn vriendin, zijn moeder, zijn vader? Een uiteendrijvend wolkje rook in dat met vochtigheid doordrenkte landschap, sneeuwresten, smeltwater in de loopgraaf, het tere groen van de wilgen.’ 

Met zijn onderzoek probeert Timm te doorgronden wie zijn broer was en hoe hij zich verhield tot zijn taak. Nam hij het moorden op de koop toe, omdat het nou eenmaal bij oorlog hoort? In zijn dagboeken en brieven naar huis maakt Karl-Heinz geen enkele notitie over het leed van de vijand terwijl hij zich wel beklaagt over de Engelse luchtaanvallen op Duitsland: ‘Dat is toch geen oorlog meer, dat is moord op vrouwen en kinderen – en dat is niet humaan.’ Timm staat voor een raadsel. Hoe kon een stille, dromerige, ietwat ziekelijke jongen als zijn broer overgaan tot het plegen van moorden, de vijand niet langer als mens te zien? 

Autoritaire vadergeneratie

Schrijven over zijn broer betekent voor Timm ook schrijven over zijn vader, een vindingrijke man met een knappe verschijning die plichtsvervulling en gehoorzaamheid hoog in het vaandel had staan. Een man die veel wist van geschiedenis en lange verhalen kon vertellen. Maar ook een rigide man met wie Uwe als tiener voortdurend in de clinch lag. Hij hekelde de naoorlogse opkomst van Americana en alles wat daarmee gepaard ging: spijkerbroeken, jazz, films, allemaal dingen waar de jonge Uwe zich voor interesseerde. Buitenshuis vierde de cultuur van de overwinnaars weliswaar hoogtij maar binnenshuis, de enige plek waar zijn vader en zijn autoritaire generatiegenoten nog konden commanderen, was die cultuur verboden.

Toch lukte het Timm zich door de vrijere naoorlogse tijd te bevrijden van het strenge oudergezag. Die luxe had zijn broer niet gehad. ‘Er werd altijd gezegd dat hij (Karl Heinz) zich echt vrijwillig had aangemeld en dat mijn vader geen druk op hem had uitgeoefend. Maar dat was ook niet nodig. Het was niet meer dan een stilzwijgende uitvoering van wat mijn vader in overeenstemming met de samenleving wilde dat hij deed. Ik daarentegen had eigen woorden kunnen vinden, kunnen tegenspreken, kunnen vragen en doorvragen.’

Timms portret van zijn vader is nietsontziend, toch leest het nergens als een afrekening. Ronduit liefdevol zijn de scènes – soms mooi in de tegenwoordige tijd geschreven – waarin hij zijn vader even tot leven wekt en tegelijk zijn tragiek zichtbaar maakt. Zo zit zijn vader achter de bontnaaimachine die hij na het bombardement op Hamburg uit de puinhopen viste en ‘naait de eekhoornhuiden aan elkaar, strijkt de haartjes opzij, die zo fijn en dun zijn dat er bij het kleinste zuchtje wind grijze schaduwen overheen glijden. Een moeizaam friemelwerkje, waarbij mijn vader steeds weer vloekt omdat er haar tussen de naad is gekomen. (…) Het was de eerste bontmantel die mijn vader in zijn leven maakte.’

Geen eenduidig antwoord

Liefdevol zijn ook de portretten van zijn gelijkmoedige, nimmer klagende moeder en zijn grotendeels genegeerde en onfortuinlijke zus wier ‘wensen nauwelijks werden geregistreerd.’ Maar schrijven over zijn familie betekent voor Timm ook schrijven over zichzelf. Want hoe is hij zelf geworden wie hij is? En zou hij hetzelfde hebben gedaan als zijn broer? Zou hij zich ook ‘vrijwillig’ hebben aangemeld om vervolgens op commando te doden? In zijn zoektocht naar antwoorden neemt hij zijn conformistische opvoeding onder de loep. Als de lens van een camera zoomt hij uit en bekijkt zichzelf op afstand, schrijft dan in de derde persoon en probeert zodoende inzicht te krijgen in zijn eigen levensgeschiedenis en vorming. ‘De jongen kan zich niet herinneren ooit door zijn ouders aangemoedigd te zijn om niet te gehoorzamen, ook niet door zijn moeder – je erbuiten houden, voorzichtig zijn, dat wel, maar niet nee zeggen, nooit weigeren, nooit ongehoorzaam zijn.’

Toch blijft de gesneuvelde broer de rode draad in het verhaal en het is dankzij Timms immense talent als schrijver dat we het zicht op Karl-Heinz nooit kwijtraken; overal lijkt hij aanwezig. In amper 152 bladzijden wordt Timm heen en weer geslingerd tussen zijn broer begrijpen en niet begrijpen, kennen en niet kennen. Het is een constant gissen naar motieven, tasten naar antwoorden, gebeurtenissen bij elkaar puzzelen. Maar een eenduidig antwoord bestaat niet en Timms worsteling met dat feit maakt het verhaal aangrijpend en diep menselijk. 

 

Omslag Mijn broer bijvoorbeeld - Uwe Timm
Mijn broer bijvoorbeeld
Uwe Timm
Vertaling door: Gerrit Bussink
Verschenen bij: Podium Uitgeverij
ISBN: 9789057594892
152 pagina's
Prijs: € 18,50

steun-ons

Jaarlijks publiceert Literair Nederland ruim vierhonderd boekrecensies en literaire berichten mede dankzij donaties van lezers. Uw hulp om boekrecensies, interviews, columns en essays in de toekomst te laten verschijnen is nodig. Klik voor een bijdrage. Onze dank is groot!

Meer van Isabelle van den Heuvel:

Recent

3 december 2020

Nieuwe uitgave van verhalenbundel die schuurt

Over 'Begeerte' van Manon Uphoff
1 december 2020

Literaire mijlpaal die het verdient meerdere keren herlezen te worden

Over 'Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl. Jahrestage' van Uwe Johnson
30 november 2020

Verhaal van alle tijden opnieuw verteld in prachtige bundel

Over 'Vissenschild' van Liesbeth Lagemaat
26 november 2020

Met woorden alles mogelijk maken

Over 'Honderd hoge dagen' van Tomas Lieske
25 november 2020

De wereld op zijn kop

Over 'Piranesi' van Susanna Clarke

Verwant