5 mei 2009

Recensie 'Titus' – Karin Amatmoekrim

Door Pauline van der Lans

In het centrum van een fisheye

Karin Amatmoekrim (1975) groeide in Suriname op en woont in Nederland. Titus is haar derde roman waarmee ze een mooi tijdsdocument neerzet met als centrale vraag: hoe geeft een mens betekenis aan zijn of haar leven?

De ramp waar velen van ons in een angstige bui wel eens aan denken overkomt de drieëndertig jarige Titus. Op een onbewaakt ogenblik midden op de dag kijkt zijn vrouw Kat even niet uit en komt ze onder een vrachtwagen waarna ze overlijdt. Op tamelijk onderkoelde toon brengt hoofdpersoon Titus de lezer hiervan op de hoogte na de veelbelovende beginzin: ‘Wat was er nu gebeurd.’

Begrijpelijkerwijs loopt Titus na dit afschuwelijke ongeluk met zijn ziel onder zijn arm. Hij voelt zich eenzaam en kan zijn verdriet niet aan. Hun gezamenlijke Amsterdamse appartement is hem te groot, het contact met zijn vrienden heeft hij verbroken en zijn werk als docent op de kunstacademie ziet hij niet meer zitten. Hij denkt na over zijn verlies, en over zijn leven als half Surinamer, half Nederlander. Als blijkt dat hij een enorme som geld van Kat heeft geërfd, besluit hij de deur achter zich dicht te trekken en te gaan reizen. Het eerste station wordt Kopenhagen omdat Kat hem twee retourtjes heeft nagelaten. Daarna volgen Barcelona en New York.

Hoewel Titus de onbetwiste hoofdfiguur van de roman is, alterneren zijn hoofdstukken met die van Anneke en Buurman Schrijver. Anneke is de in een bejaardentehuis wonende moeder van Titus en Buurman Schrijver is zijn buurman die, ja, schrijver is. Beide personages geven extra informatie aan de lezer. Zo komen we meer te weten over zijn jeugd en de rol van zijn Surinaamse vader, maar ook over het ongeluk van Kat. Het verhaal van Titus is geschreven in de tegenwoordige tijd, wat de nodige vaart met zich meebrengt. Bij Anneke en Buurman Schrijver gebruikt de auteur de rustiger verleden tijd.

Het thema: hoe een mens standhoudt te midden van chaos, is bij alledrie de personages terug te vinden. Titus gaat op in de massa in Barcelona op het moment dat zijn portemonnee gerold wordt. Later bevindt hij zich in hectisch New York waar de bevolking geobsedeerd is door de presidentsverkiezingen waar voor het eerst een niet bij name genoemde zwarte kandidaat aan deelneemt. Titus herkent zich in de half blank half zwarte man die hij ‘mijn broer’ noemt.

Anneke onttrekt zich in het bejaardentehuis aan de chaos door haar medebewoonster Maggie en haar gevolg te mijden. Buurman Schrijver zoekt de chaos juist op door erover te schrijven. Plekken waar veel gebeurt, hebben een magnetische werking op hem en hij raakt mateloos geïntrigeerd door ontregeling. Zijn contact met een dakloze waarzegster versterkt dit.

Op zijn reizen heeft Titus een aantal toevallige ontmoetingen. De eerste is met de zakenman Karel in Kopenhagen. Dankzij hem komt hij in een fraai hotel terecht en ontmoet hij de beeldschone prostituee Julia met wie hij een liefdesrelatie krijgt zonder dat zij beiden deel van een paar willen zijn. In museum Glyptotek treft hij Richard, een oudere kunstkenner in wie Titus een vaderfiguur ontdekt en die op zijn beurt in Titus een zoon ziet. Richard vertegenwoordigt in het boek niet alleen de rol van de vader, maar ook die van de kunst. Dit komt met name goed tot uitdrukking in de passages die zich in het museum afspelen.

Tijdens hun ontmoeting in het Glyptotek praat Titus namelijk met Richard over een schilderij met de titel: ‘Chaos zal zijn deel zijn’. Bij dit schilderij is de zogenaamde fisheye techniek gebruikt: ‘Alles wat buiten de middelste cirkel valt, wordt naar buiten afgebogen, wat een bollende vervorming geeft,’ aldus Titus. Er staat een man in het midden van het schilderij afgebeeld en door de fisheye techniek lijkt hij onaangedaan door de drukte om hem heen. Hier staat dus eigenlijk Titus: versteend door zijn emoties staat hij niet alleen in het middelpunt van de chaos in zijn eigen leven, maar ook nog eens in die van de wereld om hem heen.

Ook raakt Titus onder de indruk van een beeld van Kai Nielsen in de museumtuin. Hij weet zich te herinneren dat zijn moeder Anneke beeldhouwkunst als ‘gemakkelijke kunst’ ziet. Het beeld dat Titus raakt, laat een glad gepolijst moederfiguur zien dat omringd wordt door hongerige kinderen. Haar voluptueuze ronde vormen associeert hij met het oermoederschap. Beide kunstwerken contrasteren met elkaar. In het bolvormige schilderij stelt de man in het centrum zich onaanraakbaar op omdat hij anders door de buitenwereld verstikt wordt. De vrouw in het beeldhouwwerk daarentegen, laaft zich juist aan haar centrale positie waarin de hongerige kinderen een beroep op haar doen.

Terug naar de reizende Titus. Omdat Richard en Julia onafhankelijk van elkaar geldige redenen hebben om naar Barcelona af te reizen, besluit Titus dat ook te doen. Wat moet hij anders? Hij kent niemand in Kopenhagen en Karel is hem ook al weer gevlogen. De rust en ruimte van Kopenhagen worden ingeruild voor het rumoerige en onoverzichtelijke Barcelona. Dit uit zich mede door het ongrijpbare werkcircuit van Julia waar Titus ongewild in wordt meegezogen. Eenmaal met Julia naar New York gevlucht, wordt de chaos nog groter. Naast de presidentsverkiezingen vindt op hetzelfde moment de marathon van New York plaats. Het wemelt er van de marathonlopers, presidentkanditaataanhangers en toeristen. In al deze gekte komt het ook nog eens tot een gangsterachtige apotheose als blijkt dat de vlucht van Julia tòch anders is dan gedacht.

De chaos in het leven van Titus wordt vergroot omdat er geen vast punt is waar zowel hij als de lezer tot rust kan komen. Hij is constant onderweg en alle gebeurtenissen vinden plaats in vliegtuigen, treinen, hotelkamers, musea en in mensenmassa’s. Dit wordt bijna voelbaar door de temperatuurswisselingen: in Barcelona is het tropisch warm, in New York juist ijzig koud. De roman krijgt hierdoor een zintuiglijke lading. Wel moet je als lezer je best doen om de lijn vast te houden en de diepere lagen te zien, want het is wel eens puzzelen. Dat geldt met name voor het einde: een onondertekende brief aan Titus waarin Buurman Schrijver via de dakloze waarzegster het verhaal van Titus vertelt, waarbij een prominente rol is weggelegd voor zowel het fisheye schilderij als het beeldhouwwerk van Nielsen. Dit is in mijn ervaring wat te geconstrueerd: in gedachten zag ik de auteur voor me, gebogen over een vernuftig verhaalschema met verwijzingspijlen en doorhalingen.

Dat is echter geen minpunt want op een gestructureerde manier zorgt ze voor houvast als ze de lezer de chaos in sleept. Vanzelf vragen we ons dan af: hoe geef ik zelf eigenlijk betekenis aan mijn leven? Terwijl we onze ogen sluiten, doen alsof we in het centrum van een fisheye zitten en ons zo van de buitenwereld afsluiten, is dat een interessante vraag om over na te denken. Mochten we daar onverhoopt niet uitkomen, dan hebben we in ieder geval een zeer fraai boek gelezen.

Karin Amatmoekrim, Titus. Prometheus, 232 p., € 18,95

Recensie 'Titus'
Karin Amatmoekrim
ISBN: 9789044612301

Meer van :

20 oktober 2017

Soepel een licht vallende poëzie

Over 'Wax Hollandais' van Abdelkader Benali
18 oktober 2017

‘Een luchtig sprookje’

Over 'Waterscheerling' van Rascha Peper
17 oktober 2017

Van poldercrimineel tot godfather in Frankrijk

Over 'Ondijk/Punt' van Barry Smit

Recent

16 oktober 2017

Nooit meer los van Indië

Over 'De Tanimbar-legende' van Aya Zikken
13 oktober 2017

Leven zonder moeder

Over 'Het intieme vreemde' van Jente Jong
12 oktober 2017

Een antikrimi

Over 'De rechter en zijn beul' van Friedrich Dürrenmatt
11 oktober 2017

De stijl tekent de man

Over 'Mijn grote appartement' van Christian Oster
10 oktober 2017

Eindeloos gepieker

Over 'Parttime astronaut' van Renée van Marissing

Verwant